Spring naar inhoud

19.6 Toelichting op de balans

ACTIVA

1. Beleggingen voor risico pensioenfonds

Verloopoverzicht beleggingen voor risico pensioenfonds 2025

(bedragen x € 1.000.000)   Vastgoedbeleggingen   Aandelen   Vastrentende waarden   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal
                         
Stand per 1 januari 2025   2.174   11.979   20.534   -2.421   1.679   33.945
Aankopen   666   5.477   29.473   130.560   12.490   178.666
Verkopen   -48   -5.897   -27.432   -130.104   -12.718   -176.200
Herwaardering   169   765   -1.228   -1.431   -13   -1.739
Overige mutaties   72   6   -7   0   38   109
Stand per 31 december 2025   3.033   12.330   21.340   -3.397   1.475   34.781
Schuldpositie derivaten (credit)                       5.693
Totaal                       40.474

De overige mutaties bij vastgoedbeleggingen bestaat uit vastgoed dat 'in kind' is ontvangen bij de collectieve waardeoverdracht van Pensioenfonds Rijn- en Binnenvaart. Van het overige deel van de collectieve waardeoverdracht van Pensioenfonds Rijn- en Binnenvaart is € 1.009 mln. in cash ontvangen en € 80 mln. aan hypotheken die 'in kind' zijn overgekomen. De overige mutaties bij overige beleggingen in 2025 bestaan uit mutaties van liquide middelen.  De aankopen en verkopen van de overige beleggingen zijn respectievelijk inclusief € 12.490 mln. en € 12.717 mln. (2024: € 11.915 mln. en € 12.512 mln.) geldmarktfondsen.

Verloopoverzicht beleggingen voor risico pensioenfonds 2024

(bedragen x € 1.000.000)   Vastgoedbeleggingen   Aandelen   Vastrentende waarden   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal
                         
Stand per 1 januari 2024   1.738   9.991   18.823   -2.623   2.125   30.054
Aankopen   364   4.129   34.633   127.240   11.993   178.357
Verkopen   -53   -4.035   -33.289   -126.730   -12.512   -176.619
Herwaardering   125   1.894   367   -307   63   2.141
Overige mutaties   0   0   0   0   10   10
Stand per 31 december 2024   2.174   11.979   20.534   -2.421   1.679   33.945
Schuldpositie derivaten (credit)                       4.668
Totaal                       38.613

Vastgoedbeleggingen

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
         
Direct vastgoed   41   38
Indirect vastgoed (participaties in beleggingsfondsen)   2.992   2.136
Totaal   3.033   2.174

Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025       31-12-2024    
                 
Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund   754   24,9%   705   32,4%
CBRE Pan European Core Fund   457   15,1%   246   11,3%
Achmea Dutch Residential Fund   416   13,7%   379   17,4%
Altera Residential Fund   255   8,4%   0   0,0%
M&G European Property Fund (Acc F)   177   5,8%   129   5,9%
CBRE Dutch Residential Fund   173   5,7%   158   7,3%
ASR Dutch Core Residential Fund   169   5,6%   0   0,0%
ASR Dutch Prime Retail Fund   153   5,1%   152   7,0%
Invesco Real Estate European Fund - Class A   0   0,0%   135   6,2%
Totaal   2.554   84,2%   1.904   87,6%

Aandelen

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
         
Zelfstandig beursgenoteerde aandelen   12.330   11.979
Totaal   12.330   11.979

Ultimo boekjaar zijn er geen beleggingen groter dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie.

Vastrentende waarden

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
         
Staatsobligaties   11.972   11.018
Inflatiegerelateerde obligaties   26   49
Bedrijfsobligaties   6.062   6.372
Vastrentende waarden beleggingsfondsen   239   194
Hypotheekfondsen   2.613   2.522
Overige   428   379
Totaal   21.340   20.534

Van de obligatieportefeuille (categorie staatsobligaties) is eind 2025 € 9.861 mln. (2024: € 8.064 mln.) gestort in een gesepareerd depot als zekerheid voor derivaten, voor het geval deze een negatieve marktwaarde krijgen. De gesepareerde obligaties staan niet zonder meer ter vrije beschikking van het fonds. Het feit dat genoemde bedragen beschikbaar zijn om als zekerheid te dienen, betekent niet dat deze bedragen ook volledig benodigd zijn als onderpand. De feitelijke behoefte aan onderpand hangt samen met de dagelijkse waardering van de derivaten.

Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
                 
Duitse Staatsobligaties   4.854   22,7%   4.479   21,8%
Nederlandse Staatsobligaties   4.848   22,7%   4.301   20,9%
Stichting PVF Particuliere Hypotheekfonds   1.480   6,9%   1.400   6,8%
De Munt Nederlands Hypotheken Fonds PFV   1.133   5,3%   1.122   5,5%
Totaal   12.316   57,6%   11.302   54,9%

Derivaten

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
         
Valutaderivaten   119   37
Rentederivaten   2.175   2.207
Overige derivaten   2   3
Totaal   2.296   2.247

Ultimo boekjaar zijn er geen beleggingen groter dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie.
De derivaten worden in de paragraaf risicobeheer toegelicht.

Overige beleggingen

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
         
Geldmarktfondsen   936   1.117
Liquide middelen   268   284
Infrastructuur   271   278
Totaal   1.475   1.679

De liquide middelen, die deels worden aangehouden in de vorm van geldmarktfondsen, omvatten voornamelijk saldi in verband met aangekochte posities in futures en valutatermijncontracten. Voorts zijn hieronder begrepen de door investment managers beheerde liquide middelen van het fonds. Alle per 31 december 2025 aanwezige geldmiddelen (2024: idem) staan ter vrije beschikking van het pensioenfonds.

Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
                 
Northern Trust Global Funds PL LVNAV   336   22,8%   399   23,8%
FLAVEO IV Green Energy SCS   271   18,4%   278   16,6%
Northern Trust USD Cash Fund   236   16,0%   188   11,2%
Goldman Sachs Euro Liquid Reserves Fund (T) Class   121   8,2%   174   10,4%
ICS - Institutional Euro Liquidity Fund   121   8,2%   174   10,4%
Achmea IM Euro Local Government Loans Fund   121   8,2%   174   10,4%
Deutsche Managed Euro Platinum Acc   121   8,2%   174   10,4%
Totaal   1.327   90,1%   1.561   93,1%

Securities lending

Het pensioenfonds geeft geen beleggingen in bruikleen (securities lending).

Schattingen en oordelen

Zoals vermeld in de toelichting zijn de beleggingen van het pensioenfonds nagenoeg allemaal gewaardeerd tegen actuele waarde op balansdatum en is het over het algemeen mogelijk en gebruikelijk om de actuele waarde binnen een aanvaardbare bandbreedte van schattingen vast te stellen. Voor sommige andere financiële instrumenten, zoals beleggingsvorderingen en -schulden, geldt dat de boekwaarde de actuele waarde benadert als gevolg van het kortetermijnkarakter van de vorderingen en schulden. De boekwaarde van alle activa en de financiële verplichtingen op balansdatum benadert de actuele waarde.

Voor de meerderheid van de beleggingen is sprake van objectief vast te stellen marktnoteringen. Voor bepaalde beleggingen zijn deze niet beschikbaar en vindt waardering plaats op basis van waarderingsmodellen en technieken, inclusief verwijzing naar de huidige reële waarde van vergelijkbare instrumenten en het gebruik van schattingen.

Schattingen van de actuele waarde zijn een momentopname, gebaseerd op de marktomstandigheden en de beschikbare informatie over het financiële instrument. Deze schattingen zijn van nature subjectief en bevatten onzekerheden en een significante oordeelsvorming (bijvoorbeeld rentestand, volatiliteit, schatting van kasstromen, etc.) en kunnen derhalve niet met precisie worden vastgesteld.

  • Genoteerde marktprijzen:
    De waarde van de belegging is gebaseerd op direct waarneembare marktnoteringen van identieke beleggingen in een actieve markt
  • Onafhankelijke taxaties:
    Dit betreft uitsluitend directe belangen in vastgoed. Deze worden gewaardeerd tegen actuele waarde op 31 december van het boekjaar. De actuele waarde van de directe belangen wordt voor het overgrote deel van de portefeuille bepaald middels gedurende het jaar uitgevoerde externe taxaties.
  • Contante waarde berekening:
    Actuele waarde wordt vastgesteld aan de hand van waarderingsmodellen waarin gebruik is gemaakt van waarneembare marktdata. Voor het berekenen van de marktwaarde van de renteswaps wordt als basis de €STR-rentecurve (OIS-discounting) gebruikt.
  • Andere methode:
    De waarde wordt vastgesteld met waarderingsmodellen waarin geen gebruik is gemaakt van waarneembare marktdata. De marktwaarde van de hypotheken is berekend door middel van de DCF-methode. Bij de reële waardeberekening is uitgegaan van een aantal parameters en/of veronderstellingen met betrekking tot de disconteringsvoet en de verwachte kasstroom. De disconteringsvoet bestaat uit een basisrente gelijk aan de euroswapcurve plus opslagen voor type onderpand, soort financiering en risicocategorie. De verwachte kasstroom is de te ontvangen rente en aflossing op basis van de het gewogen gemiddelde momenten van de ontvangst inclusief het vervroegd aflossingsrisico. De gehanteerde parameters in het DCF-model zijn ultimo boekjaar geactualiseerd.

Op basis van deze indeling kan de beleggingsportefeuille als volgt worden samengevat:

(bedragen x € 1.000.000)   Genoteerde marktprijzen   Onafhankelijke taxaties   Contante waarde berekening   Andere Methode   Totaal
                     
Vastgoedbeleggingen   0   41   0   2.992   3.033
Aandelen   12.330   0   0   0   12.330
Vastrentende waarden   18.513   0   0   2.828   21.340
Derivaten   0   0   -3.397   0   -3.397
Overige beleggingen   389   0   0   1.086   1.475
Stand per 31 december 2025   31.232   41   -3.397   6.905   34.781
(bedragen x € 1.000.000)   Genoteerde marktprijzen   Onafhankelijke taxaties   Contante waarde berekening   Andere Methode   Totaal
                     
Vastgoedbeleggingen   0   38   0   2.136   2.174
Aandelen   11.979   0   0   0   11.979
Vastrentende waarden   17.844   0   0   2.690   20.534
Derivaten   -2   0   -2.419   0   -2.421
Overige beleggingen   458   0   0   1.221   1.679
Stand per 31 december 2024   30.279   38   -2.419   6.047   33.945

2. Vorderingen en overlopende activa

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
         
Premievorderingen   297   282
Beleggingsdebiteuren   2.188   1.973
Overige vorderingen en overlopende activa   1   2
Totaal   2.486   2.257

Alle vorderingen hebben een resterende looptijd korter dan één jaar.

Specificatie Premievorderingen

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
         
Premiedebiteuren   302   291
Voorzieningen dubieuze debiteuren   -5   -9
Totaal   297   282

Van de premie debiteuren was ultimo 2025 voor een bedrag van € 250 mln. de vervaltermijn nog niet verstreken (ultimo 2024: € 228 mln.).

Specificatie verloop Voorzieningen dubieuze debiteuren

(bedragen x € 1.000.000)   2025   2024
         
Stand per 1 januari   9   17
Afboeking wegens oninbaarheid   -3   -6
Onttrekking/dotatie ten gunste/laste van staat van baten en lasten   -1   -2
Stand per 31 december   5   9

Specificatie Beleggingsdebiteuren

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
         
Te ontvangen interest en dividend   469   426
Te ontvangen uit hoofde van transacties   78   67
Terug te vorderen dividendbelasting   40   37
Cash collateral   1.601   1.440
Overig   0   3
Totaal   2.188   1.973

3. Overige activa

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
         
Liquide middelen   86   81
Totaal   86   81

De liquide middelen worden aangehouden bij Nederlandse banken. De tegoeden staan ter vrije beschikking van het fonds.

PASSIVA

4. Stichtingskapitaal en reserves

(bedragen x € 1.000.000)   Algemene reserve   Solvabiliteitsreserve   Totaal
             
Stand per 1 januari 2024   0   2.273   2.273
Uit bestemmingssaldo van baten en lasten 2024   0   1.380   1.380
Stand per 31 december 2024   0   3.653   3.653
Uit bestemmingssaldo van baten en lasten 2025   2.489   1.851   4.340
Stand per 31 december 2025   2.489   5.504   7.993

De solvabiliteitsreserve is maximaal gelijk aan het vereist eigen vermogen. De solvabiliteitsreserve kan echter nooit negatief zijn. Omdat het totaal eigen vermogen hoger is dan het vereist eigen vermogen is de algemene reserve € 2.489 mln. Het stichtingskapitaal is € 0.

Indien het deel van de resultaatbestemming boven de gemaximeerde solvabiliteitsreserve komt, dan wordt dit deel toegevoegd aan de algemene reserve.

Dekkingsgraden, vermogensposities en herstelplan

(bedragen x € 1.000.000)       31-12-2025   31-12-2024
             
Feitelijke dekkingsgraad       127,5%   111,3%
Reële dekkingsgraad       86,5%   82,2%
Beleidsdekkingsgraad       121,0%   111,6%

Voor het bepalen van het vereist eigen vermogen (de solvabiliteitstoets) maakt het fonds gebruik van het standaard model. Het bestuur acht het gebruik van het standaardmodel passend voor de risico's van het fonds. De uitkomsten van de solvabiliteitstoets zijn opgenomen in de paragraaf 'Risicobeheer'.

Op basis hiervan bedraagt het (minimaal) vereist vermogen ultimo jaar:

(bedragen x € 1.000.000)       31-12-2025   31-12-2024
             
Stichtingskapitaal en reserves       7.993   3.653
Minimaal vereist eigen vermogen       1.256   1.396
Vereist eigen vermogen       5.504   5.901

De dekkingsgraad van het fonds per 31 december 2025 is hoger dan de vereiste dekkingsgraad van 118,9% en dan de minimale vereiste dekkingsgraad van 104,3%. De vermogenspositie van het pensioenfonds kan als gevolg hiervan worden gekarakteriseerd als een toereikende solvabiliteit.

Evaluatie herstelplan bij het transitie-FTK

Begin 2024 heeft het bestuur besloten om met ingang van dit boekjaar toe te treden tot het transitie-FTK. Het transitie-FTK is gericht op het bereiken van een evenwichtige overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Daarmee moet voorkomen worden dat fondsen in de jaren tot de transitie maatregelen moeten treffen die voor evenwichtig invaren niet nodig zijn. Gedurende de periode tot transitie worden met dit toetsingskader extra beleidsmogelijkheden geboden (onder voorwaarden) ten aanzien van kortings- en toeslagregels en wijziging van het strategisch beleggingsbeleid.

In 2025 heeft Pensioenfonds Vervoer een herstelplan ingediend bij DNB. Dit is een verplichting als de beleidsdekkingsgraad van een pensioenfonds lager is dan de vereiste dekkingsgraad. De beleidsdekkingsgraad was eind 2024 111,6%, terwijl de vereiste dekkingsgraad 118,3% bedroeg.
Het ingediende herstelplan laat zien dat Pensioenfonds Vervoer na 6 jaar aan het vereiste niveau voldoet. Inmiddels hebben we geconstateerd dat de beleidsdekkingsgraad ultimo 2025 hoger is dan de vereiste dekkingsgraad. Er is dus geen herstelplan meer nodig.

Voorstel tot resultaatbestemming

Het saldo van de staat van baten en lasten wordt voor € 1.851 mln. toegevoegd aan de solvabiliteitsreserve en voor € 2.489 mln. toegevoegd aan de algemene reserve. Dit is verwerkt in de jaarrekening.

Technische voorzieningen

5. Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds

(bedragen x € 1.000.000)       2025   2024
             
Stand per 1 januari       31.751   29.574
Pensioenopbouw       1.249   1.111
Toeslagverlening       1.118   129
Rentetoevoeging       753   1.031
Onttrekking voor uitkeringen       -724   -678
Wijziging marktrente       -6.417   789
Wijziging actuariële uitgangspunten       32   -147
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten       -45   -19
Wijziging uit de collectieve waardeoverdracht van Pensioenfonds Rijn- en Binnenvaart       890   0
Overige mutaties       -32   -39
Stand per 31 december       28.575   31.751

Ultimo boekjaar bedraagt de gemiddelde discontovoet 3,2% (2024: 2,1%).

De voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds bestaat uit een pensioenregeling en een prepensioenregeling. Het verloop van beide regelingen is hieronder weergegeven.

Stelselwijziging

Als gevolg van de wijziging in RJ 610 wordt de voorziening operationele kosten niet langer opgenomen als onderdeel van de technische voorziening, maar separaat gepresenteerd. Deze wijziging kwalificeert als een stelselwijziging die op grond van RJ 140.208 retrospectief dient te worden toegepast.

In de vergelijkende cijfers is de technische voorziening derhalve aangepast. Aangezien de voorziening operationele kosten in het verleden onderdeel uitmaakte van verschillende toevoegingen aan en onttrekking van de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds, zijn de vergelijkende cijfers binnen de specificatie van de technische voorziening aangepast om deze gewijzigde presentatie tot uitdrukking te brengen.

Collectieve waardeoverdracht Pensioenfonds Rijn- en Binnenvaart

Op 1 december 2025 heeft de collectieve waardeoverdracht van Pensioenfonds Rijn- en Binnenvaart plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot een verhoging van de technische voorziening van € 890 mln. per 1 december 2025.

Pensioenregeling

(bedragen x € 1.000.000)       2025   2024
             
Stand per 1 januari       31.685   29.504
Pensioenopbouw       1.249   1.111
Toeslagverlening       1.116   129
Rentetoevoeging       752   1.029
Onttrekking voor uitkeringen       -720   -673
Wijziging marktrente       -6.416   789
Wijziging actuariële uitgangspunten       32   -147
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten       -45   -19
Wijziging uit de collectieve waardeoverdracht van Pensioenfonds Rijn- en Binnenvaart       890   0
Overige mutaties       -30   -38
Stand per 31 december       28.513   31.685

Prepensioenregeling

(bedragen x € 1.000.000)       2025   2024
             
Stand per 1 januari       66   70
Rentetoevoeging       1   2
Onttrekking voor uitkeringen       -4   -5
Wijziging marktrente       -1   0
Toeslagverlening       2   0
Wijzigingen uit hoofde van overdracht van rechten       0   0
Overige mutaties       -2   -1
Stand per 31 december       62   66

Pensioenopbouw

Onder pensioenopbouw is opgenomen de actuarieel berekende waarde van de pensioenopbouw in het boekjaar. Dit is het effect op de voorziening pensioenverplichtingen van de in het verslagjaar opgebouwde nominale rechten op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen. Ook de premie voor de dekking van de risico's ten aanzien van overlijden en arbeidsongeschiktheid is hierin opgenomen.

Voor prepensioen vindt geen premieopbouw meer plaats, omdat de deelnemers die in 2006 nog pensioen konden opbouwen inmiddels met pensioen zijn.

Toeslagverlening

Het fonds kent voorwaardelijke en onvoorwaardelijke toeslagverlening. Het fonds heeft besloten voor de toeslag per 1 januari 2026 gebruik te maken van de verruimde mogelijkheden tot toeslagverlening en heeft per genoemde datum de volledige maatstaf van 4,12% (1 januari 2025: 0,40%) toegekend. Dit besluit is genomen in boekjaar 2025. De voorziening pensioen verplichtingen is hierop aangepast per eind 2025.

Voor de onvoorwaardelijke rechten van de tot 1 januari 2010 opgebouwde aanspraken in de excedentregeling is een toeslag verleend van 2,82% per 1 januari 2026 (1 januari 2025: 2,71%). In de technische voorziening is een reservering opgenomen waarbij rekening is gehouden met het uit ramingen van het CPB afgeleide ingroeipad naar een lange termijn prijsinflatie van 2%.

Rentetoevoeging

De pensioenverplichtingen zijn aan het begin van het verslagjaar 2025 opgerent met 2,33% (2024: 3,44%), op basis van de éénjaarsrente op de interbancaire swapmarkt aan het begin van het verslagjaar.

Onttrekking voor pensioenuitkeringen

Verwachte toekomstige pensioenuitkeringen worden vooraf actuarieel berekend en opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. De onder dit hoofd opgenomen afname van de voorziening betreft het bedrag dat vrijkomt ten behoeve van de financiering van de pensioenuitkeringen in de verslagperiode.

Wijziging marktrente

Jaarlijks wordt op 31 december de marktwaarde van de technische voorzieningen herrekend. Onderstaand rentepercentage drukt het gemiddelde percentage uit waartegen de voorziening wordt verdisconteerd ultimo boekjaar. Het financiële effect van de verandering van de RTS wordt verantwoord onder het hoofd 'wijziging marktrente' in het verloopoverzicht van de mutatie van de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het fonds.

Marktrente

        31-12-2025   31-12-2024
             
Gemiddelde discontovoet       3,2%   2,1%

Wijzigingen actuariële uitgangspunten

In 2025 zijn de onderstaande actuariële uitgangspunten gewijzigd:

  • In 2025 heeft het fonds besloten om de wezenopslag in de technische voorziening te verhogen van 1,0% naar 1,5%. De technische voorziening stijgt daardoor met € 16,7 mln. Het effect op de dekkingsgraad is afgerond minus 0,07%-punt.
  • De IBNR-voorziening is aangepast. Als gevolg van een gewijzigde opslag voor premievrijgestelde pensioenopbouw en een gewijzigde opslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen is deze technische voorziening per 31 december 2025 met € 16,4 toegenomen. Het effect op de dekkingsgraad is afgerond minus 0,07%-punt.

Wijziging uit hoofde overdracht van rechten

(bedragen x € 1.000.000)       2025   2024
             
Toevoeging aan de technische voorzieningen       46   54
Toevoeging aan de technische voorzieningen als gevolg van de collectieve waardeovedracht       890   0
Onttrekking aan de technische voorzieningen       -91   -73
             
Totaal       845   -19

De stijging van de toevoeging aan de technische voorzieningen wordt veroorzaakt door de inkoop ter waarde van € 890 mln. van aanspraken in verband met de collectieve waardeoverdracht van Pensioenfonds Rijn- en Binnenvaart per 1 december 2025. De collectieve waardeoverdacht heeft geleid tot de ontvangst van € 1.161 mln. aan vermogensbestandsdelen. De inkoop heeft plaatsgevonden op basis van de dekkingsgraad per eind november. Op basis van de overeengekomen voorwaarden is een toeslagdepot gevormd van € 96 mln. per ultimo balansdatum ten behoeve van onvoorwaardelijke toekomstige indexaties. Het toeslagdepot maakt onderdeel uit van de technische voorzieningen voor risico van het pensioenfonds.

Overige mutaties

(bedragen x € 1.000.000)       31-12-2025   31-12-2024
             
Resultaat op kanssysteem:            
- Sterfte       -39   -48
- Arbeidsongeschiktheid       14   -3
Overige inkoop VPL       0   3
Overige technische grondslagen       -6   9
Totaal       -32   -39

De voorziening voor pensioenverplichtingen is naar categorieën als volgt samengesteld:

(bedragen x € 1.000.000)       2025       2024    
                     
        Voorziening   Aantallen   Voorziening   Aantallen
                     
Actieve deelnemers       13.160   200.228   16.156   196.941
Gewezen deelnemers       6.539   343.285   7.404   326.030
Pensioengerechtigden       8.876   126.105   8.191   116.908
Totale netto pensioenverplichtingen       28.575   669.618   31.751   639.879

Vanuit Pensioenfonds Rijn- en Binnenvaart zijn 166 actieve deelnemers, 15.356 gewezen deelnemers en 34.429 pensioengerechtigden overgekomen.

Korte beschrijving pensioenregeling

Deelnemers geboren op of na 1 januari 1950 (Reglement I)

Middelloonregeling met voorwaardelijke toeslagverlening. De jaarlijkse opbouw van het ouderdomspensioen is 1,788% van de pensioengrondslag. De opbouwperiode loopt van de 21-jarige leeftijd van de deelnemer tot de 68-jarige leeftijd. Ingeval van arbeidsongeschiktheid wordt naar rato van de mate van arbeidsongeschiktheid premievrije deelneming verleend.

Deelnemers geboren vóór 1 januari 1950 (Reglement VI)

Middelloonregeling met voorwaardelijke toeslagverlening. De regeling van Reglement VI is voor een belangrijk deel vergelijkbaar met Reglement I. De jaarlijkse opbouw van het ouderdomspensioen bedraagt 1,975% van de pensioengrondslag. De opbouwperiode loopt van de 21-jarige leeftijd van de deelnemer tot de 60-jarige leeftijd (oude regeling 21 jaar tot 65 jaar). Voor deelnemers die vanaf 31 maart 2001 tot de (vervroegde) ingangsdatum van het ouderdomspensioen onafgebroken deelnemer waren, is er een overgangsregeling. Het bestuur kan aan deze deelnemers een toeslag toekennen gelijk aan het positieve verschil van het ouderdomspensioen dat zou zijn verkregen bij voortzetting van de tot 1 april 2001 geldende regeling en het op de (vervroegde) ingangsdatum van het ouderdomspensioen daadwerkelijk opgebouwde ouderdomspensioen. Bij overlijden voor de (vervroegde) ingangsdatum van het ouderdomspensioen kan een vergelijkbare toeslag op het nabestaandenpensioen worden toegekend. Alle deelnemers van voor 1950 zijn inmiddels met pensioen. De regeling wordt in stand gehouden voor de deelnemers die vóór 2006 arbeidsongeschikt zijn geworden en binnen deze regeling premievrije opbouw genieten.

Prepensioenregeling goederenvervoer

De prepensioenregeling geldt per 1 januari 2002. De prepensioenregeling voorziet in een uitkering van 60 (richtleeftijd) tot 65 jaar. Vanaf 1 januari 2006 is deze regeling in het bijzonder van belang voor werknemers geboren tussen 1 april 1947 en 1 januari 1950. Zij bouwden na 1 januari 2006 nog prepensioen op. Alle deelnemers van voor 1950 zijn inmiddels met pensioen.

Een volledig prepensioen, dat voorziet in een uitkering van circa 85% van de prepensioengrondslag, wordt opgebouwd in een deelnemingsperiode van 39 jaar (van 21 tot 60 jaar). Omdat niet iedere werknemer in staat is voldoende prepensioen op te bouwen is door cao-partijen een overgangsregeling in het leven geroepen. Deze overgangsregeling heeft tot doel een aanvulling te geven op het prepensioen. De overgangsregeling is een voorwaardelijke regeling: het bestuur besliste jaarlijks, gegeven de financiële positie van het fonds, of de aanvulling kon worden toegekend aan de deelnemers die in het volgende kalenderjaar de reglementaire datum voor ingang van het overgangsrecht bereiken.

Alle deelnemers van voor 1950 zijn inmiddels met pensioen.

De hoogte van de prepensioenuitkering is afhankelijk van hetgeen aan prepensioen opgebouwd is. Per jaar werd 2,179% aan prepensioen opgebouwd. Het prepensioen werd opgebouwd over het vaste jaarsalaris en over het loon uit een aantal overuren en/of over de uren van het structureel verrichten van arbeid als gevolg van werken in een rouleersysteem volgens een rooster.

Prepensioenregelingen personenvervoer

De prepensioenregeling is van start gegaan op 1 januari 2004 en is per 1 januari 2006 van toepassing op werknemers in de sectoren besloten busvervoer en taxivervoer die geboren zijn vóór 1 januari 1950 en die op 31 december 2003 jonger waren dan 62 jaar.

De prepensioenregeling is met ingang van 1 januari 2006 alleen nog van toepassing op werknemers die geboren zijn vóór 1 januari 1950. Alle deelnemers van voor 1950 zijn inmiddels met pensioen. Bij een volledige opbouwperiode van 41 jaar (21 tot 62 jaar) komt een werknemer op 85% van de gemiddelde prepensioengrondslag uit. Ieder jaar wordt er 2,073% van de prepensioengrondslag van dat jaar opgebouwd. De prepensioenregeling is met ingang van 1 januari 2006 alleen nog van toepassing op werknemers die geboren zijn vóór 1 januari 1950.

Voor werknemers die bij de start van de regeling, 1 januari 2004, ouder dan 21 jaar waren is een overgangsregeling afgesproken. Deze overgangsregeling zorgt voor een aanvulling op het prepensioen tot 85% van de gemiddelde prepensioengrondslag. De overgangsregeling is een voorwaardelijke regeling. Het bestuur beslist jaarlijks, gegeven de financiële situatie van het fonds, of de aanvulling kan worden toegekend aan de deelnemers die in het volgende kalenderjaar de prepensioenleeftijd (62 jaar) bereiken. Het bestuur heeft besloten in 2011 de prepensioenaanspraken uit de overgangsregeling voor de betreffende groep deelnemers volledig toe te kennen.

Toeslagverlening

De toeslagen op pensioenrechten en pensioenaanspraken wordt jaarlijks vastgesteld door het bestuur van het fonds. Het fonds kent daarbij voorwaardelijke en onvoorwaardelijke toeslag verlening. De daadwerkelijke toeslag in een jaar is voorwaardelijk en is afhankelijk van de hoogte van de beschikbare middelen.

Er is geen recht op toekomstige toeslagen. Het is niet zeker of en in hoeverre in de toekomst wordt geïndexeerd. Het fonds heeft geen geld gereserveerd voor toekomstige toeslagen. Toeslagen zijn afhankelijk van de middelen van het fonds en daarvoor zijn beleggingsresultaten een belangrijk element.

Inhaaltoeslagen

Indien de beleidsdekkingsgraad hoger is dan de volledige toeslagengrens kan het bestuur eventueel besluiten om een extra toeslagverlening toe te passen. Daarvan zal alleen sprake kunnen zijn indien in eerdere jaren gekort is op de toeslagverlening en/of vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten heeft plaatsgevonden.

Een eventueel toekomstig voor een extra toeslagverlening beschikbaar budget zal als volgt worden vastgesteld:

  • het beschikbare budget is maximaal gelijk aan een vijfde van de overschrijding van de beleidsdekkingsgraad ten opzichte van de volledige toeslagengrens;
  • de beleidsdekkingsgraad moet na de extra toeslagverlening het niveau van het vereist eigen vermogen behouden.

De actieve en gewezen deelnemers van het fonds en de uitkeringsgerechtigden kunnen formeel geen aanspraak maken op een extra toeslagverlening als de situatie zoals hierboven beschreven aan de orde is. De reglementen en de ABTN van het fonds kennen geen rechten op inhaaltoeslagen. Het eventueel toch toekennen daarvan is aan het bestuur. Een eventueel in de toekomst voor een extra toeslagverlening beschikbaar komend budget zal op een door het fonds te bepalen wijze worden ingezet voor extra toeslagverlening op pensioenaanspraken en pensioenrechten van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden. Gelet op de financiële situatie van het fonds is extra toeslagverlening niet op korte termijn te verwachten.

6. Voorziening operationele kosten

(bedragen x € 1.000.000)       31-12-2025   31-12-2024
             
Stand per 1 januari       572   532
toevoeging vanwege pensioenopbouw       22   20
onttrekking vanwege pensioenuitkeringen       -13   -12
mutatie uit hoofde van rente       -102   33
overige mutaties       36   -1
Stand per 31 december       514   572

Als gevolg van de wijziging in Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ) 610 wordt met ingang van dit verslagjaar de voorziening operationele kosten separaat gepresenteerd van de technische voorziening. Deze wijziging is aangemerkt als een stelselwijziging en is conform RJ 140.208 retrospectief verwerkt.

In de vergelijkende cijfers over 2024 is de voorziening operationele kosten afzonderlijk opgenomen. De bedragen die in eerdere verslagjaren onderdeel uitmaakten van de toevoegingen aan en onttrekkingen van de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds, zijn geherclassificeerd naar de voorziening operationele kosten. De mutaties zijn toe te wijzen aan de opgenomen categorieën in het verloopoverzicht.

De reservering voor toekomstige pensioenuitvoeringskosten bedraagt per einde 2025 1,8% (2024: 1,8%) van de verwachte afname van de voorziening pensioenverplichtingen voor het doen van uitkeringen en is bestemd voor het betalen van de uitvoeringskosten.

7. Derivaten

(bedragen x € 1.000.000)       31-12-2025   31-12-2024
             
Derivaten       5.693   4.668
Totaal       5.693   4.668

De derivaten zijn verantwoord conform de hiervoor beschreven grondslagen voor de waardering van derivaten. Per 31 december 2025 bestaan de negatieve posities uit rentederivaten ad € 5.664 mln., valutaderivaten ad € 28 mln. en overige derivaten ad € 1 mln. De derivaten worden in de paragraaf risicobeheer toegelicht.

8. Overige schulden en overlopende passiva

(bedragen x € 1.000.000)       31-12-2025   31-12-2024
             
Nog te verrekenen premies       47   46
Beleggingsschulden       201   240
Belastingen en premie sociale verzekeringen       14   14
Overige schulden en overlopende passiva       9   7
Totaal       271   307

Specificatie Beleggingsschulden

(bedragen x € 1.000.000)       31-12-2025   31-12-2024
             
Cash collateral       12   12
Schulden kosten vermogensbeheer       102   115
Nog af te wikkelen transacties       86   113
Totaal       201   240

Alle schulden hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar.