Spring naar inhoud

19.7 Risicobeheer

Het fonds wordt bij het beheer van de pensioenverplichtingen en de financiering daarvan geconfronteerd met risico's. Het bestuur beschikt over een aantal beleidsinstrumenten ten behoeve van het beheersen van deze risico's. Deze beleidsinstrumenten betreffen:

  • beleggingsbeleid;
  • premiebeleid;
  • herverzekeringsbeleid;
  • toeslagbeleid.

De keuze en toepassing van beleidsinstrumenten vindt plaats na uitvoerige analyses ten aanzien van te verwachten ontwikkelingen van de verplichtingen en de financiële markten. Daarbij wordt onder meer gebruikgemaakt van ALM studies. Een ALM studie is een analyse van de structuur van de pensioenverplichtingen en van verschillende beleggingsstrategieën en de ontwikkeling daarvan in diverse economische scenario's.

De uitkomsten van deze analyses vinden hun weerslag in jaarlijks door het bestuur vast te stellen beleggingsrichtlijnen als basis voor het uit te voeren beleggingsbeleid. De beleggingsrichtlijnen geven normen en limieten aan waarbinnen de uitvoering van het beleggingsbeleid moet plaatsvinden. Ze zijn gericht op het beheersen van de volgende belangrijkste (beleggings)risico's.

Solvabiliteitsrisico's

Het belangrijkste risico voor het fonds betreft het solvabiliteitsrisico, ofwel het risico dat het fonds niet beschikt over voldoende vermogen ter dekking van de pensioenverplichtingen. De solvabiliteit wordt gemeten op basis van zowel algemeen geldende normen als specifieke normen welke door de toezichthouder worden opgelegd.

Indien de solvabiliteit van het fonds zich negatief ontwikkelt, bestaat het risico dat het fonds de premie voor de werkgevers en werknemers moet verhogen en het risico dat er geen ruimte beschikbaar is voor een eventuele toeslagverlening op opgebouwde pensioenrechten. Op dit moment is de premie overigens al maximaal. In het uiterste geval kan het noodzakelijk zijn dat het fonds verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten moet verminderen.

De solvabiliteit wordt weergegeven door middel van de dekkingsgraad: de marktwaarde van het aanwezige vermogen uitgedrukt in de marktwaarde van de pensioenverplichtingen. Het solvabiliteitsrisico is in feite de combinatie van beleggings- en actuariële risico’s.

Ontwikkeling dekkingsgraad

    2025   2024
         
Dekkingsgraad per 1 januari   111,3%   107,6%
Premie   0,2%   0,7%
Toeslagverlening   -3,8%   -0,5%
Rendement   -4,9%   5,6%
Wijziging in de rente termijn structuur (RTS)   28,2%   -2,8%
Uitkering   0,3%   0,2%
Wijzigingen actuariële grondslagen   0,0%   0,5%
Overige oorzaken   -3,8%   0,0%
Dekkingsgraad per 31 december   127,5%   111,3%

Zoals uit dit overzicht blijkt is de dekkingsgraad in 2025 gestegen. De procentuele effecten van de diverse resultaatbronnen op de dekkingsgraad zijn conform de richtlijnen van DNB alle uitgedrukt ten opzichte van de primo dekkingsgraad. Dit zorgt ervoor dat de optelling van primo dekkingsgraad plus alle afzonderlijke procentuele effecten niet leidt tot de ultimo dekkingsgraad. Het verschil tussen deze twee wordt verantwoord onder de noemer "overige oorzaken" en betreft de kruiseffecten. In het algemeen geldt dat deze post groter wordt naarmate de uitschieters in de afzonderlijke resultaatscomponenten groter zijn.

Om het solvabiliteitsrisico te beheersen dient het fonds buffers in het vermogen aan te houden. De omvang van deze buffers (buffers plus de pensioenverplichtingen heten samen het vereist eigen vermogen) wordt vastgesteld met de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets (S-toets). Deze toets bevat een kwantificering van de bestuursvisie op de fondsspecifieke restrisico's (na afdekking).

De berekening van het vereist eigen vermogen en het hieruit voortvloeiende tekort aan het einde van het boekjaar is als volgt:

Vereist Eigen Vermogen

(bedragen x € 1.000.000)   2025   2024
         
S1 Renterisico   1.668   1.497
S2 Risico zakelijke waarden   3.891   4.285
S3 Valutarisico   1.122   1.293
S4 Grondstoffenrisico   0   0
S5 Kredietrisico   861   987
S6 Verzekeringstechnische risico   803   991
S7 Liquiditeitsrisico   0   0
S8 Concentratierisico   0   0
S9 Operationeel risico   0   0
S10 Actief beheerrisico   185   202
Diversificatie-effect   -3.026   -3.354
Vereist Eigen Vermogen per 31 december   5.504   5.901

Het vereist eigen vermogen wordt als volgt berekend:

Het vereist eigen vermogen wordt bepaald op basis van de strategische beleggingsmix. Het vereist eigen vermogen op basis van de strategische mix uitgedrukt in percentages bedraagt ultimo 2025 18,9% (2024: 18,3%). Het vereist eigen vermogen op basis van de feitelijke beleggingsmix bedraagt ultimo 2025 20,1% (2024: 18,9%).

Beleggingsrisico

De belangrijkste beleggingsrisico's betreffen het markt-, krediet- en liquiditeitsrisico.

Het marktrisico is uit te splitsen in renterisico, valutarisico en prijs(koers)risico. Marktrisico wordt gelopen op de verschillende beleggingsmarkten waarin het fonds op basis van het vastgestelde beleggingsbeleid actief is. De beheersing van het risico is geïntegreerd in het beleggingsproces. Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid kunnen zich voorts risico's manifesteren uit hoofde van de geselecteerde managers en bewaarbedrijven (zogeheten manager- en custodyrisico), en de juridische bepalingen omtrent gebruikte instrumenten en de uitvoeringsovereenkomst (juridisch risico). Het marktrisico wordt beheerst doordat met de vermogensbeheerder specifieke mandaten zijn afgesproken, welke in overeenstemming zijn met de beleidskaders en richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld door het bestuur. Het bestuur monitort de mate van naleving van deze mandaten. De marktposities worden periodiek aan het bestuur gerapporteerd.

Renterisico (S1)

Renterisico is het risico op een verandering in de dekkingsgraad als gevolg van een verandering van de rente. Zonder afdekking van dit risico stijgt de marktwaarde van de pensioenverplichtingen bij een rentedaling harder dan de marktwaarde van de beleggingen; bij een rentestijging doet zich het omgekeerde effect voor. Dat komt doordat de pensioenverplichtingen een veel langere gemiddelde looptijd hebben. Doorgaans geldt: hoe langer de looptijd, hoe rentegevoeliger.

Het beleid van het fonds is er op gericht om het renterisico voor 65% (op marktwaarde basis) af te dekken (2024: 58%). Besloten is om voor de renteafdekking te sturen op marktwaarde basis, omdat het lastig is om een normportefeuille te creëren gebaseerd op van toepassing zijnde UFR-methodiek. Het fonds realiseert de afdekking van renterisico door langlopende (staats)obligaties te kopen en gebruik te maken van rentederivaten (interest rate swaps). Hiermee wordt de rentegevoeligheid van de beleggingsportefeuille meer in lijn gebracht met die van de pensioenverplichtingen. De werkelijke afdekking ultimo 2025 bedraagt 65% (2024: 58%).

Het fonds maakt gebruik van rentederivaten om de renteafdekking efficiënt en tegen lage kosten uit te voeren. Het gebruik van derivaten brengt wel additionele risico's met zich mee zoals tegenpartij-, liquiditeit- en juridisch risico. Deze risico's zijn aan de hand van door het bestuur geformuleerde randvoorwaarden tot aanvaardbare niveaus gebracht en vormen onderdeel van de continue risicomonitoring.

De duration en het effect van de renteafdekking kan als volgt worden samengevat:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
                 
    Waarde   Duration   Waarde   Duration
                 
Vastrentende waarden (vóór derivaten)   21.340   7,9   20.534   8,1
Vastrentende waarden (na derivaten)   21.340   19,6   20.534   21,1
Technische voorzieningen   29.089   18,4   32.323   21,3

De samenstelling van de vastrentende waarden naar resterende contractuele looptijd is als volgt:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
                 
Resterende looptijd < 1 jaar   1.671   7,8%   3.178   15,5%
Resterende looptijd > 1 jaar en < 5 jaar   4.667   21,9%   4.610   22,5%
Resterende looptijd > 5 jaar en < 10 jaar   6.071   28,4%   4.363   21,2%
Resterende looptijd > 10 jaar en < 20 jaar   4.816   22,6%   4.742   23,1%
Resterende looptijd > 20 jaar en < 30 jaar   3.538   16,6%   3.562   17,3%
Resterende looptijd > 30 jaar   579   2,7%   79   0,4%
Totaal   21.340   100,0%   20.534   100,0%

De presentatie van de vastrentende waarden in bovenstaande looptijden hangt samen met het lange termijn karakter van de investeringen van het fonds en het hiermee samenhangende beleid en ter vergelijking met de looptijden van de verplichtingen zoals in onderstaand overzicht weergegeven.

De resterende looptijd van de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds kan als volgt worden weergegeven:

De resterende looptijd van de verplichtingen kan als volgt worden weergegeven:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
                 
Resterende looptijd < 1 jaar   793   2,7%   691   2,1%
Resterende looptijd > 1 jaar en < 5 jaar   3.225   11,1%   2.826   8,7%
Resterende looptijd > 5 jaar en < 10 jaar   4.413   15,2%   3.997   12,4%
Resterende looptijd > 10 jaar en < 20 jaar   8.802   30,3%   8.831   27,3%
Resterende looptijd > 20 jaar en < 30 jaar   6.281   21,6%   7.442   23,0%
Resterende looptijd > 30 jaar   5.575   19,2%   8.536   26,4%
Totaal   29.089   100,0%   32.323   100,0%

Risico zakelijke waarden (S2)

Het marktrisico is het risico dat de waarde van de beleggingen in de portefeuille verandert als gevolg van veranderingen in de desbetreffende marktprijzen. Het zakelijke waardenrisico heeft voornamelijk betrekking op de aandelen- en vastgoedportefeuilles van het fonds.

Het marktrisico wordt gemitigeerd door spreiding van de beleggingsportefeuille over verschillende categorieën, regio’s, landen en sectoren.

Om goede spreiding te borgen legt het fonds haar externe managers richtlijnen op waardoor ook binnen mandaten bovengenoemde spreiding gerealiseerd wordt. Controle op naleving van deze richtlijnen vindt plaats aan de hand onafhankelijke rapportages van de custodian van het fonds

Valutarisico (S3)

Valutarisico is het risico dat de waarde van de beleggingen die in vreemde valuta luiden verandert als gevolg van veranderingen in valutakoersen. Conform het beleid van het fonds zijn in 2025 de valutaposities van de normportefeuille in de Amerikaanse dollar, het Britse pond en de Japanse yen voor 75% (2024: 75%) afgedekt.

De valutapositie per 31 december 2025 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:

(bedragen x € 1.000.000)   Vastgoed   Aandelen   Vastrentende waarden vóór afdekking   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal voor afdekking   Valuta-derivaten afdekking   Netto positie
na afdekking
                                 
EUR   3.033   1.337   14.736   -3.523   1.238   16.821   10.139   26.959
                                 
GBP   0   566   290   -3   1   854   -616   238
JPY   0   1.322   6   0   0   1.327   -978   350
USD   0   6.419   4.932   7   236   11.594   -8.756   2.838
Overige   0   2.686   1.377   30   0   4.093   302   4.396
Totaal   3.033   12.330   21.340   -3.488   1.475   34.690   91   34.781

De valutapositie per 31 december 2024 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:

(bedragen x € 1.000.000)   Vastgoed   Aandelen   Vastrentende waarden vóór afdekking   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal voor afdekking   Valuta-derivaten afdekking   Netto positie
na afdekking
                                 
EUR   2.174   1.380   13.625   -2.122   1.483   16.541   9.884   26.425
                                 
GBP   0   452   298   0   8   758   -630   128
JPY   0   1.540   2   0   0   1.542   -1.060   481
USD   0   6.002   5.378   3   188   11.570   -8.642   2.928
Overige   0   2.605   1.231   -9   0   3.827   156   3.983
Totaal   2.174   11.979   20.534   -2.128   1.679   34.238   -292   33.945

Prijsrisico

Prijsrisico is het risico van waardewijzigingen door de ontwikkeling van marktprijzen. Het wordt veroorzaakt door factoren gerelateerd aan een individuele belegging, de uitgevende instelling of generieke factoren.

Het prijsrisico wordt gemitigeerd door diversificatie die onder meer is vastgelegd in de strategische beleggingsmix van het fonds. In aanvulling hierop maakt het fonds voor afdekking van het prijsrisico gebruik van afgeleide financiële instrumenten (derivaten), zoals opties en futures.

De segmentatie van de aandelen naar regio is als volgt:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025       31-12-2024    
                 
Europa   2.423   19,7%   2.355   19,7%
Noord-Amerika   6.296   51,1%   5.894   49,2%
Pacific Azië   1.606   13,0%   1.740   14,5%
Australië en Nieuw Zeeland   167   1,3%   225   1,9%
Emerging Markets   1.838   14,9%   1.765   14,7%
Totaal   12.330   100,0%   11.979   100,0%

De segmentatie van de aandelen naar sectoren is als volgt:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025       31-12-2024    
                 
Energie   181   1,5%   191   1,6%
Industrie   1.466   11,9%   1.395   11,6%
Technologie   3.280   26,6%   2.914   24,3%
Gezondheidszorg   1.145   9,3%   1.192   9,9%
Telecommunicatie   1.226   9,9%   1.161   9,7%
Nutsbedrijven   213   1,7%   132   1,1%
Basismaterialen   430   3,5%   413   3,4%
Financiële instellingen (w.o. banken en verzekeraars)   2.395   19,4%   2.327   19,4%
Handel   1.724   14,0%   1.984   16,6%
Diversen   269   2,2%   270   2,3%
Totaal   12.330   100,0%   11.979   100,0%

De segmentatie van de vastgoedbeleggingen naar aard van het vastgoed is als volgt:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025       31-12-2024    
                 
Woningen   41   1,4%   38   1,8%
Particpaties in vastgoedmaatschappijen   2.992   98,6%   2.136   98,2%
Totaal   3.033   100,0%   2.174   100,0%

De segmentatie van vastgoed naar regio is als volgt:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025       31-12-2024    
                 
Europa    3.033    100,0%   1.983   91,2%
Wereldwijd   0   0,0%   191   8,8%
Totaal   3.033   100,0%   2.174   100,0%

Grondstoffenrisico (S4)

Het fonds belegde in 2025 net als in 2024 niet in grondstoffen en loopt derhalve geen direct grondstoffenrisico.

Kredietrisico (S5)

Kredietrisico is het risico van financiële verliezen voor het fonds als gevolg van faillissement of andere vormen van betalingsonmacht van tegenpartijen waarop het fonds (potentiële) vorderingen heeft. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan partijen die obligatieleningen uitgeven, banken waar deposito's worden geplaatst, marktpartijen waarmee Over The Counter (OTC)-derivatenposities worden aangegaan en aan bijvoorbeeld herverzekeraars.

Het fonds belegt voor een groot deel van de vastrentende waarden in staatsobligaties met een hoge kredietwaardigheid.

Een voor beleggingsactiviteiten specifiek onderdeel van kredietrisico is het settlementrisico. Dit heeft betrekking op het risico dat partijen waarmee het fonds transacties is aangegaan niet meer in staat zijn hun tegenprestatie te verrichten waardoor het fonds financiële verliezen lijdt.

Beheersing van dit risico door het fonds vindt plaats door het stellen van limieten aan tegenpartijen op totaalniveau. Dat wil zeggen: met inachtneming van alle posities die een tegenpartij heeft jegens het fonds, het vragen van extra zekerheden zoals onderpand en dergelijke bij hypothecaire geldleningen en het uitlenen van effecten alsmede het hanteren van prudente verstrekkingsnormen bij hypothecaire geldleningen. Ter afdekking van het settlementrisico wordt door het fonds enkel belegd in markten waar een voldoende betrouwbaar clearing- en settlementsysteem functioneert. Voordat in nieuwe markten wordt belegd, wordt eerst onderzoek gedaan naar de waarborgen op dit gebied. Met betrekking tot niet-beursgenoteerde beleggingen, met name OTC-derivaten, wordt door het fonds enkel gewerkt met tegenpartijen waarmee ISDA/CSA-overeenkomsten zijn afgesloten, zodat posities van het fonds adequaat worden afgedekt door onderpand.

Het kredietrisico ten aanzien van de te ontvangen pensioenpremies is gespreid over een groot aantal verschillende werkgevers.

De samenstelling van de vastrentende waarden naar regio's kan als volgt worden samengevat:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025       31-12-2024    
                 
Europa   14.846   69,6%   13.942   67,9%
Noord-Amerika   3.641   17,1%   3.773   18,4%
Pacific Azië   149   0,7%   165   0,8%
Australië en Nieuw Zeeland   88   0,4%   65   0,3%
Emerging Markets   2.403   11,3%   2.298   11,2%
Overige   214   0,9%   291   1,4%
Totaal   21.340   100,0%   20.534   100,0%

De kredietwaardigheid van veel marktpartijen wordt ook door rating agencies beoordeeld. De samenvatting van de vastrentende waarden op basis van de ratings zoals aan einde van het boekjaar is gepubliceerd door Standard & Poors, Moody’s en Fitch, is als volgt:

Ten aanzien van de kredietwaardigheid van de debiteuren van de vastrentende portefeuille kan het volgende overzicht worden gegeven:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025       31-12-2024    
                 
AAA   11.574   54,2%   10.565   51,5%
AA   1.491   7,0%   1.606   7,8%
A   1.499   7,0%   1.497   7,3%
BBB   2.594   12,2%   2.550   12,4%
<BBB   3.534   16,6%   3.633   17,7%
Geen rating   649   3,0%   683   3,3%
Totaal   21.340   100,0%   20.534   100,0%

De beleggingen met rating < BBB en zonder rating betreffen met name beleggingen in hoogrentende leningen.

Verzekeringstechnisch risico (S6)

Het verzekeringstechnisch risico is het risico dat voortvloeit uit mogelijke afwijkingen van actuariële inschattingen die worden gebruikt voor de vaststelling van de technische voorzieningen en de hoogte van de premie. De belangrijkste actuariële risico's zijn de risico's van langleven, overlijden (kortleven), arbeidsongeschiktheid en het toeslagrisico.

Gezien de omvang van het fonds wordt het grootste deel van de verzekeringstechnische risico’s niet herverzekerd. Uitzonderingen hierop zijn de Anw- en WIA-excedentregelingen, die wel volledig zijn herverzekerd. Bij deze verzekeringen geldt geen winstdeling.

Langlevenrisico
Het langlevenrisico is het belangrijkste verzekeringstechnische risico. Langlevenrisico is het risico dat deelnemers langer blijven leven dan gemiddeld verondersteld wordt bij de bepaling van de voorziening pensioenverplichtingen. Als gevolg hiervan volstaat de opbouw van het pensioenvermogen niet voor de uitkering van de pensioenverplichting. Door toepassing van prognosetafels met adequate correcties voor ervaringssterfte is het langlevenrisico nagenoeg geheel verdisconteerd in de waardering van de pensioenverplichtingen.

Overlijdensrisico
Het overlijdensrisico betekent dat het fonds in geval van overlijden mogelijk een nabestaandenpensioen moet toekennen waarvoor door het fonds geen voorzieningen zijn getroffen.

Arbeidsongeschiktheidsrisico
Het arbeidsongeschiktheidsrisico betreft het risico dat het fonds voorzieningen moet treffen voor premievrijstelling bij invaliditeit en het toekennen van een arbeidsongeschiktheidspensioen ('schadereserve'). Voor dit risico wordt jaarlijks een risicopremie in rekening gebracht. Het verschil tussen de risicopremie en de werkelijke kosten wordt verwerkt via het resultaat. De actuariële uitgangspunten voor de risicopremie worden periodiek herzien.

Toeslagrisico
Het toeslagrisico omvat het risico dat de ambitie van het bestuur om toeslagen op pensioen toe te kennen in relatie tot de algemene prijsontwikkeling niet kan worden gerealiseerd. De mate waarin dit kan worden gerealiseerd is afhankelijk van de ontwikkelingen in de rente, beleggingsrendementen, looninflatie en demografie (beleggings- en actuariële resultaten) echter, afhankelijk van de hoogte van de dekkingsgraad van het fonds.

Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat de toeslagverlening voorwaardelijk is.

Liquiditeitsrisico (S7)

Liquiditeitsrisico is het risico dat beleggingen niet tijdig en/of niet tegen een aanvaardbare prijs kunnen worden omgezet in liquide middelen, waardoor het fonds op korte termijn niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. Waar de overige risicocomponenten vooral de langere termijn betreffen (solvabiliteit), gaat het hierbij om de kortere termijn. Dit risico kan worden beheerst door in het strategische en tactische beleggingsbeleid voldoende ruimte aan te houden voor de liquiditeitsposities. Er moet eveneens rekening worden gehouden met de directe beleggingsopbrengsten en andere inkomsten zoals premies.

Het fonds heeft meer liquiditeiten en snel liquide te maken instrumenten beschikbaar dan in een extreem scenario noodzakelijk is. Het liquiditeitsrisico voor het fonds is derhalve beperkt. Dit is onder meer bereikt door effecten zoals obligaties van Nederland en Duitsland te gebruiken als onderpand voor de rentederivaten, in plaats van 'cash'. Het fonds zal door deze keuze niet snel geconfronteerd worden met een onverwachte vraag naar liquide middelen door een extreme beweging in de rente. Het liquiditeitsrisico vanuit valutaderivaten is gespreid doordat daar gekozen is voor een dakpanstructuur. Maandelijks loopt éénderde deel van de valuta-afdekking af, zodat het afrekenen van de waardeontwikkeling van de contracten in de tijd is gespreid.

Per 31 december 2025 belegt het fonds voor € 31.232 mln. (2024: € 30.279 mln.) in beleggingen met een directe marktnotering, die snel liquide te maken zijn. De aanwezige liquiditeit is derhalve meer dan voldoende om in de mogelijke liquiditeitsvraag in een extreem scenario te kunnen voorzien.

Tenslotte zijn de premie-inkomsten hoger dan de pensioenuitkeringen. Kas in- en uitstromen uit de reguliere bedrijfsvoering zijn bekend: per saldo is het fonds netto ontvanger van liquide middelen.

In het ultieme geval dat het fonds onmiddellijk en onvoorzien meer liquiditeiten nodig zou hebben dan beschikbaar is of op korte termijn vrijgemaakt kan worden, is een kredietfaciliteit van € 50 mln. beschikbaar bij de custodian.

Concentratierisico (S8)

Concentraties kunnen ertoe leiden dat het fonds bij grote veranderingen in bijvoorbeeld de waardering (marktrisico) of de financiële positie van een tegenpartij (kredietrisico) grote (veelal financiële) gevolgen hiervan ondervindt.

Concentratierisico's kunnen optreden bij een concentratie in de beleggingsportefeuille in producten, regio's of landen, economische sectoren of tegenpartijen. Naast concentraties in de beleggingsportefeuille kan ook sprake zijn van concentraties in de verplichtingen en de uitvoering.

Om concentraties in de beleggingsportefeuille te beheersen maakt het bestuur gebruik van diversificatie en limieten voor beleggen in landen, regio’s, sectoren en tegenpartijen. Deze uitgangspunten zijn door het fonds vastgesteld op basis van een ALM-studie en zijn vastgelegd in de contractuele afspraken met de vermogensbeheerders. Het bestuur monitort op maandelijkse basis de naleving hiervan op basis van de rapportages van de risicomanager van het fonds en van de vermogensbeheerder.

Er zijn enkele grote posten binnen de vastrentende waarden, met overwegend een AAA rating. Deze posten hebben een zeer beperkt risico. Het betreft de volgende posities

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2025   31-12-2024
Duitse Staatsobligaties   4.854   11,3%   4.479   10,9%
Nederlandse Staatsobligaties   4.848   11,3%   4.301   10,5%
Stichting PVF Particuliere Hypotheekfonds   1.480   3,4%   1.400   3,4%
De Munt Nederlands Hypotheken Fonds PFV   1.133   2,6%   1.122   2,7%
Totaal   12.316   28,6%   11.302   27,6%

Binnen de pensioenverplichtingen van het fonds kan de demografische opbouw van de deelnemers een concentratierisico vormen. Gegeven de aard is dit risico niet te beïnvloeden.

Zonder weging naar technische voorziening is de verhouding tussen mannen en vrouwen in het fonds ultimo 2025 gelijk aan 79%/21% (2024: 79%/21%). De gemiddelde leeftijd bedraagt 52,7 jaar (2024: 52,8 jaar), waarbij sprake is van een gelijkmatige leeftijdsspreiding. Indien gewogen wordt naar technische voorziening is de verhouding tussen mannen en vrouwen in het fonds 86%/14% (2024: 87%/13%). De gewogen gemiddelde leeftijd bedraagt 60,0 jaar (2024: 57,9 jaar).

Operationeel risico (S9)

Operationeel risico is het risico van een onjuiste afwikkeling van transacties, fouten in de verwerking van gegevens, het verloren gaan van informatie, fraude en dergelijke. Deze risico's worden door het fonds beheerst door het stellen van hoge kwaliteitseisen aan de organisaties die bij de uitvoering zijn betrokken.

De beleggingsportefeuille wordt beheerd door Achmea Investment Management en de feitelijke uitvoering is ondergebracht bij 21 vermogensbeheerders. Met al deze partijen zijn overeenkomsten en service level agreements (SLA) gesloten. De afhankelijkheid van deze partijen wordt beheerst doordat de bewaring van de stukken uit de portefeuille is ondergebracht bij een custodian, Northern Trust.

De pensioenuitvoering is uitbesteed aan pensioenuitvoerder TKP. Met TKP is een uitbestedingsovereenkomst en een service level agreement (SLA) gesloten.

Het bestuur beoordeelt periodiek de kwaliteit van de uitvoering van het vermogensbeheer en pensioenbeheer door middel van performancerapportages (alleen vermogensbeheerders), SLA-rapportages en onafhankelijk getoetste interne beheersingsrapportages (ISAE 3402-rapportages).

Het bestuursbureau ondersteunt het bestuur bij de uitvoering van haar activiteiten. De sleutelprocessen hebben betrekking op beleid, de regie en monitoring van de uitbesteding, de bestuursondersteuning en overige zaken die vanuit wet- en regelgeving moeten worden geborgd. Deze processen zijn opgenomen in het bestuursbureau control framework dat periodiek wordt getoetst.

Aangezien hiermee sprake is van adequate beheersing van de operationele risico's worden door het fonds hiervoor geen buffers aangehouden in de solvabiliteitstoets.

Actief beheerrisico (S10)

De mate waarin het actieve beleggingsbeleid bijdraagt aan het totale risico van de beleggingen is mede afhankelijk van de correlatie die verondersteld wordt te bestaan tussen het benchmark rendement en het extra rendement als gevolg van actief beheer. Het actief beheer risico is bij het fonds beperkt, maar is toch meegenomen in de bepaling van het vereist eigen vermogen.

Systeemrisico

Systeemrisico betreft het risico dat het mondiale financiële systeem (de internationale markten) niet langer naar behoren functioneert, waardoor beleggingen van het fonds niet langer verhandelbaar zijn en zelfs, al dan niet tijdelijk, hun waarde kunnen verliezen. Net als voor andere marktpartijen, is dit risico voor het fonds niet beheersbaar. Het systeemrisico maakt geen onderdeel uit van de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets.

Derivaten

Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid wordt gebruik gemaakt van financiële derivaten. Hoofdregel die hierbij geldt, is dat derivaten uitsluitend worden gebruikt voor zover dit passend is binnen het beleggingsbeleid van het fonds. Derivaten worden hoofdzakelijk gebruikt om de hiervoor vermelde vormen van marktrisico zo veel mogelijk af te dekken.

Derivaten hebben als voornaamste risico's het kredietrisico en valutarisico. Dit risico wordt beperkt door alleen transacties aan te gaan met goed te boek staande partijen en door zoveel mogelijk te werken met onderpand. Gebruik kan worden gemaakt van onder meer de volgende instrumenten:

  • Futures: dit zijn standaard beursgenoteerde instrumenten waarmee snel posities kunnen worden gewijzigd. Futures worden gebruikt voor het tactische beleggingsbeleid. Tactisch beleggingsbeleid is slechts zeer beperkt mogelijk binnen de grenzen van het strategische beleggingsbeleid.
  • Valutatermijncontracten: dit zijn met individuele banken afgesloten contracten waarbij de verplichting wordt aangegaan tot het verkopen van een valuta en de aankoop van een andere valuta, tegen een vooraf vastgestelde prijs en op een vooraf vastgestelde datum. Door middel van valutatermijncontracten worden valutarisico's afgedekt.
  • Swaps: dit betreft met individuele banken afgesloten contracten waarbij de verplichting wordt aangegaan tot het uitwisselen van rentebetalingen over een nominale hoofdsom. Door middel van swaps kan het fonds de rentegevoeligheid van de portefeuille beïnvloeden.

Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de derivatenpositie op 31 december 2025

2025                    
(bedragen x € 1.000.000)   Gemiddelde looptijd   Contract-
omvang
  Saldo
waarde
  Positieve
waarde
  Negatieve
waarde
                     
Rentederivaten   0 – 50 jaar   11.468   -3.489   2.175   5.664
Valutaderivaten   < 1 jaar   13.121   91   118   27
Overige derivaten   0 - 30 jaar   305   1   3   2
Totaal       24.894   -3.397   2.296   5.693
2024                    
(bedragen x € 1.000.000)   Gemiddelde looptijd   Contract-
omvang
  Saldo
waarde
  Positieve
waarde
  Negatieve
waarde
                     
Rentederivaten   0 – 50 jaar   8.737   -2.128   2.207   4.335
Valutaderivaten   < 1 jaar   12.598   -293   37   330
Overige derivaten   0 - 30 jaar   422   -1   3   3
Totaal       21.757   -2.422   2.247   4.668

De ontvangen zekerheden van € 87 mln. (2024: nihil) omvatten voor € 76 mln. Duitse en Nederlandse staatsobligaties die een AAA-rating hebben conform de met tegenpartijen gesloten overeenkomsten (ISDA/CSA).

Daarnaast zijn er nog ontvangen zekerheden van € 11 mln. (2024: € 8 mln.) in de vorm van cash.

De gestelde zekerheden van € -3.846 mln. (2024: € -2.888 mln.) omvatten voor € -2.246 mln. Duitse, Amerikaanse en Nederlandse staatsobligaties die een AAA-rating hebben conform de met tegenpartijen gesloten overeenkomsten (ISDA/CSA).

Daarnaast zijn er nog gestelde zekerheden van € -1.600 mln. (2024: € -1.436 mln.) in de vorm van cash.