Spring naar inhoud

Financiële ontwikkelingen

Financiële ontwikkelingen

Financiële positie van het pensioenfonds

 Financiële positie van het pensioenfonds

De dekkingsgraad wordt vastgesteld als het pensioenvermogen gedeeld door de totale technische voorzieningen. De dekkingsgraad op basis van de door DNB vastgestelde rentetermijnstructuur is op 31 december 2025 uitgekomen op 127,5%. Eind 2024 was de dekkingsgraad 111,3%. Bij de toename van de dekkingsgraad in 2025 moet in acht worden genomen dat hier de indexatie met 4,12% per 1 januari 2026 al in verwerkt is.

De toetsingsgrootheid in het Financieel Toetsingskader (FTK) is de beleidsdekkingsgraad. Dit is de gemiddelde dekkingsgraad van de laatste 12 maanden. In 2025 is de beleidsdekkingsgraad gestegen van 111,6% naar 121,0%.

Het pensioenvermogen wordt berekend als het eigen vermogen (ook wel genoemd: het weerstandsvermogen) vermeerderd met de technische voorzieningen. Het pensioenvermogen op 31 december 2025 bedroeg € 37,1 miljard (eind 2024: € 36,0 miljard). De technische voorzieningen (ook wel genoemd: de voorziening pensioenverplichtingen) bedroegen eind 2025: € 29,1 miljard (eind 2024: € 32,3 miljard). Het pensioenvermogen gedeeld door de technische voorzieningen leidt (als niet de afgeronde maar de exacte cijfers worden gebruikt) tot eerdergenoemde dekkingsgraad van 127,5%(eind 2024: 111,3%).

Bij de vaststelling van de voorziening pensioenverplichtingen worden schattingselementen gehanteerd. Deze schattingselementen zijn gebaseerd op veronderstellingen ten aanzien van bijvoorbeeld sterftekansen, rente en kosten. Gedurende het boekjaar wijken de werkelijke ontwikkelingen onvermijdelijk af van deze veronderstellingen, waardoor er ten opzichte van de veronderstellingen winst of verlies wordt gerealiseerd.

Onder het FTK worden twee toetsingsgrenzen gedefinieerd: minimaal vereist vermogen en vereist vermogen.

Het minimaal vereist vermogen is gelijk aan de voorziening pensioenverplichtingen verhoogd met een opslag (‘minimaal vereist eigen vermogen’) voor algemene risico’s. Op 20 mei 2019 heeft het Actuarieel Genootschap een leidraad gepubliceerd, waarmee pensioenfondsen een eenduidige methode wordt aangereikt inzake de vaststelling van het minimaal vereist eigen vermogen. De vaststelling van het minimaal vereist vermogen van Pensioenfonds Vervoer is gebaseerd op deze leidraad. De uitkomst als percentage van de technische voorzieningen bedroeg eind 2025: 104,3% (eind 2024: 104,3%).

Op 31 december 2025 was de aanwezige beleidsdekkingsgraad 121,0% (eind 2024: 111,6%). Dat was hoger dan de minimaal vereiste dekkingsgraad van 104,3% (eind 2024: 104,3%). Er is dus geen sprake van een ‘dekkingstekort’.

Het vereist vermogen is gelijk aan de voorziening pensioenverplichtingen, verhoogd met een zodanige opslag (‘vereist eigen vermogen’), dat de kans maximaal 2,5% is dat de aanwezige dekkingsgraad van het pensioenfonds in een periode van één jaar lager wordt dan 100%. Voor de vaststelling van deze opslag is wettelijk een standaardtoets voorgeschreven. Deze standaardtoets wordt ook bij Pensioenfonds Vervoer toegepast. Met name het renterisico en het zakelijke waarden risico zijn bepalend voor de uitkomst van deze toets.

Het vereist vermogen op basis van de strategische portefeuille is leidend. Als percentage van de technische voorzieningen kwam de vereiste dekkingsgraad van eind 2025 uit op 118,9% (eind 2024: 118,3%). De aanwezige beleidsdekkingsgraad van 121,0% (eind 2024: 111,6%) is in 2025 hoger dan de vereiste dekkingsgraad, zodat er geen sprake is van een reservetekort.

Voor de volledigheid vermelden we het vereist vermogen tevens op basis van de feitelijke beleggingsmix. De uitkomst op 31 december 2025 als percentage van de technische voorzieningen is dan 120,0% (eind 2024: 118,9%). Het verschil met het vereist vermogen op basis van het strategische beleggingsbeleid komt met name door een hogere allocatie naar zakelijke waarden dan strategisch beoogd.

Herstelplan/overbruggingsplan

Begin 2024 heeft het bestuur besloten om met ingang van dit boekjaar toe te treden tot het transitie-FTK. Het transitie-FTK is gericht op het bereiken van een evenwichtige overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Daarmee moet voorkomen worden dat fondsen in de jaren tot de transitie maatregelen moeten treffen die voor evenwichtig invaren niet nodig zijn. Gedurende de periode tot transitie worden met dit toetsingskader extra beleidsmogelijkheden geboden (onder voorwaarden) ten aanzien van kortings- en toeslagregels en wijziging van het strategisch beleggingsbeleid.

In 2025 heeft Pensioenfonds Vervoer een herstelplan ingediend bij DNB. Dit is een verplichting als de beleidsdekkingsgraad van een pensioenfonds lager is dan de vereiste dekkingsgraad. De beleidsdekkingsgraad was eind 2024 111,6%, terwijl de vereiste dekkingsgraad 118,3% bedroeg.
Het ingediende herstelplan laat zien dat Pensioenfonds Vervoer na 6 jaar aan het vereiste niveau voldoet.
Inmiddels hebben we geconstateerd dat de beleidsdekkingsgraad ultimo 2025 hoger is dan de vereiste dekkingsgraad. Er is dus geen herstelplan meer nodig.

Ontwikkeling dekkingsgraad

Onderstaande tabel geeft inzicht in het daadwerkelijke verloop van de dekkingsgraad in 2025 ten opzichte van het verloop zoals geschat in het herstelsjabloon.

Verloop dekkingsgraad in 2025

Verloop dekkingsgraad in 2025          
  Feitelijk   Herstelsjabloon   Verschil
Dekkingsgraad per 31 december 2024 111,3%   111,3%    
Verandering van de dekkingsgraad als gevolg van:          
Nieuwe premies 0,2%   0,2%   0,0%
Gedane uitkeringen 0,3%   0,2%   0,1%
Toeslagverlening -3,8%   -0,4%   -3,4%
Wijziging rente (RTS) 28,2%   0,0%   28,2%
Rendement -4,9%   1,9%   -6,8%
Overige oorzaken (o.a. wijzigingen grondslagen) -3,8%   0,1%   -3,9%
Dekkingsgraad per 31 december 2025 127,5%   113,3%   14,2%

Premiedekkingsgraad

De premiedekkingsgraad geeft de verhouding weer tussen de betaalde premie voor de nieuw in te kopen aanspraken en de TV die het pensioenfonds vaststelt voor deze nieuwe aanspraken (zuivere premie, dus op basis van de rentetermijnstructuur). Een premiedekkingsgraad van 100% is precies voldoende voor de fondsreservering, waarbij dan geen rekening wordt gehouden met een opslag voor het Vereist Eigen Vermogen. Bij een premiedekkingsgraad lager dan de actuele dekkingsgraad, loopt de actuele dekkingsgraad terug en vice versa.

De ex-post premiedekkingsgraad bedraagt 117,9%. Dit is lager dan de premiedekkingsgraad in 2024 (125,8%) maar hoger dan de actuele dekkingsgraad op 1 januari 2025 (111,3%). De premie heeft daarmee bijgedragen aan herstel van de dekkingsgraad in 2025. De dekkingsgraad is hierdoor in 2025 met 0,2%-punt gestegen.

Overlevingsgrondslagen / sterfte

De grondslag sterfte bestaat uit de combinatie van de overlevingstafel, de op de hieruit voortvloeiende sterftekansen toegepaste correctiefactoren en de risicopremies voor de dekking van de toe te kennen nabestaandenpensioenen (partner- en wezenpensioenen).

Op grond van het FTK dient wettelijk gezien rekening te worden gehouden met de voorzienbare toename in overlevingskansen (sterftetrend). Dit gebeurt door de voorziening pensioenverplichtingen vast te stellen op basis van een door het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) gepubliceerde prognosetafel. Sinds de inwerkingtreding van het FTK is de prognosetafel diverse malen geactualiseerd, in de regel gebeurt dit tweejaarlijks.

Ultimo 2025 is de voorziening vastgesteld op basis van de Prognosetafel AG2024. Bij deze tafel worden fondsspecifieke correctiefactoren toegepast die in 2025 zijn herijkt.

Het sterfterisico is te splitsen in twee soorten, te weten het langlevenrisico en het overlijdensrisico:

  • Het langlevenrisico doet zich voor bij de verzekeringen waarbij het verrichten van een uitkering afhankelijk is van het in leven blijven van de verzekerde, zoals ouderdomspensioenverzekeringen.
  • Het overlijdensrisico doet zich voor bij de verzekeringen waarbij het verrichten van een uitkering bepaald wordt door het overlijden van de verzekerden, zoals de nabestaandenpensioenverzekeringen

Sinds 2020 wordt het resultaat op sterfte beïnvloed door de landelijke oversterfte. Daarbij is in afnemende mate sprake van samenhang met de COVID19-sterfte. Mede op basis van de vier achtereenvolgende jaren van oversterfte heeft het CBS haar prognoses naar beneden bijgesteld. Desalniettemin was er ook in 2025 weer sprake van een landelijke oversterfte. Ook bij Pensioenfonds Vervoer is in 2025 wederom sprake van enige oversterfte. 

Actuariële analyse van het resultaat

In onderstaand overzicht wordt het saldo van de baten en lasten uitgesplitst naar diverse bronnen. Het betreft een actuariële analyse waarbij de genoemde individuele resultaatcomponenten niet noodzakelijkerwijs één op één gematcht kunnen worden met uitsplitsingen in de Jaarrekening, die vanuit een andere invalshoek zijn weergegeven. Het totaalresultaat is uiteraard wel identiek.

Saldo van baten en lasten (bedragen x 1.000.000)

    2025 2024
Grondslagen resultaatbepaling:      
Overlevingstafel primo boekjaar   AG 2024 AG 2022
Gemiddelde rente primo boekjaar   2,1% 2,3%
       
Premies en koopsommen   227 291
Beleggingsresultaat (inclusief wijziging RTS)   4.980 1.022
Toeslagverlening   -1.138 -131
Sterfte   40 49
Arbeidsongeschiktheid   -14 3
ANW-hiaat en wezenpensioen   -2 1
Kosten   0 1
Mutaties / diversen   280 -2
Wijziging door bijzondere oorzaken   -33 150
Toekenningen VPL   0 -3
       
Totaalresultaat   4.340 1.380

Het resultaat van het pensioenfonds toont in 2025 een saldo van € 4.340 mln. (2024: € 1.380 mln.).

Toelichting op enkele resultaatposten

Beleggingsresultaat

Het resultaat op beleggingen, inclusief wijziging rentetermijnstructuur (RTS), is veelal een significante en beweeglijke post in de bepaling van het jaarresultaat. In 2025 bedraagt dit beleggingsresultaat € 4.980 mln. (2024: € 1.022 mln.). Het werkelijk behaalde rendement bedroeg in 2025 2,2% negatief. Door de gestegen rente daalde de waarde van de vastrentende waarden en rentederivaten. Zakelijke waarden stegen in 2025 in waarde.

In deze post is de verlaging van de technische voorzieningen (TV) in verband met de stijging van de RTS van 31 december 2024 naar 31 december 2025 begrepen. Dit betreft een positief effect van € 6.533 mln. in verband met de gestegen rente.

Resultaat op toeslagverlening

Ten opzichte van 2024 is het resultaat op toeslagverlening hoger, omdat per 1 januari 2026 een toeslag is verleend van 4,12% (1 januari 2025: 0,4%). Dat leidde in 2025 tot een verlies van € 1.138 mln. (2024: € 131 mln. negatief) omdat de voorwaardelijke toeslagen uit de fondsmiddelen zijn gefinancierd. Verderop in dit hoofdstuk wordt meer aandacht besteed aan de toeslagverlening.

Resultaat op mutaties/diversen

De post mutaties/diversen bestaat uit vele componenten, zoals resultaten voortvloeiend uit:

  • uitkeringen
  • afkopen
  • waardeoverdrachten
  • mutaties niet opgevraagde pensioenen
  • mutaties voortvloeiend uit pensionerings- en flexibiliseringsmutaties, individuele pensioenclaims, echtscheidingen, (eenmalige) projecten en correcties
  • boekingen en correcties op ambtshalve premies waar geen pensioenopbouw tegenover staat
  • bankkosten, de betaalde intrest en de mutatie van het saldo van de schuld inzake de gemoedsbezwaarden.

Pensioenfonds Rijn- en Binnenvaart heeft de opgebouwde en ingegane pensioenaanspraken collectief overgedragen naar Pensioenfonds Vervoer. De overdracht heeft per 1 december 2025 dekkingsgraadneutraal plaats gevonden. De in de overdrachtswaarde ontvangen solvabiliteitsopslag leidt tot een positief resultaat van € 270 mln.

Resultaat uit wijzigingen door bijzondere oorzaken

Conform het fondsbeleid is in 2025 de toereikendheid van de opslag voor uitgesteld wezenpensioen en de risicopremies bij arbeidsongeschiktheid getoetst.
Naar aanleiding van deze toetsing is de opslag voor het uitgesteld wezenpensioen verhoogd van 1,0% naar 1,5% van de technische voorziening. Dit heeft een effect van circa € 17 mln.
De risicopremies bij arbeidsongeschiktheid zijn als volgt aangepast:

  • de premie voor premievrijstelling is met ingang van 1 januari 2026 verhoogd van 3,8% naar 4,2%
  • de aanvullende WIA-premie voor aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen voor de sectoren beroepsgoederenvervoer en besloten busvervoer is met ingang van 1 januari 2026 verhoogd van 0,8% naar 0,9%

Het bestuur heeft besloten om deze aanpassingen met terugwerkende kracht toe te passen, dit heeft een effect van circa € 16 mln.

Kostendekkende premie

De gedempte kostendekkende premie wordt vanaf 1 januari 2023 vastgesteld op basis van het toekomstige verwacht rendement (inclusief een afslag voor toekomstige toeslagverlening).

Toetsing kostendekkende premie (x € 1 mln.)  
  2025 2024
Kostendekkende premie 1.518 1.354
Gedempte premie 1.354 1.254

De kostendekkende premie (€ 1.518 mln.) wordt getoetst op kostendekkendheid door een vergelijking met de gedempte premie (€ 1.354 mln.). De kostendekkende premie is in 2025 hoger en is daarmee kostendekkend.

Toeslagverlening

Voorwaardelijke toeslagverlening

In 2024 heeft het bestuur besloten toe te treden tot het transitie-FTK. Gedurende het transitie-FTK kan een ruimer toeslagbesluit gehanteerd worden. Het bestuur heeft als input voor het transitie-FTK het uitgangspunt gehanteerd dat de pensioenen eventueel verhoogd worden als de dekkingsgraad op de peildatum hoger is dan 110%, na toekennen van de toeslag de dekkingsgraad niet lager is dan 110% en dat de toeslag niet meer kan bedragen dan de maatstaf.

Getoetst per 30 september 2025 aan de contante waarde van toekomstbestendige toeslagverlening bleek de toeslagruimte voldoende voor 0,79% toeslagverlening (19,2% van de maatstaf). Op basis van de verruimde mogelijkheid is besloten per 1 januari 2026 over de opgebouwde aanspraken van de basisregeling een toeslag te verlenen van 4,12%. Deze toeslag is reeds verwerkt in de technische voorzieningen per 31 december 2025.

De maatstaf voor deze verhoging is de loonontwikkeling in de periode 2 juli 2024 – 1 juli 2025 (gewogen per sector). De toeslagmaatstaf is bepaald op basis van de naar aantal deelnemers gewogen gemiddelde loonontwikkeling.

De bestuursbesluiten tot voorwaardelijke toeslagverlening zijn genomen nadat in een zorgvuldig traject alle belangen evenwichtig zijn gewogen. Van jong en oud en van gewezen deelnemers tot pensioengerechtigden. Ook is bekeken of bij het eventueel invaren in een nieuwe pensioenregeling in het nieuwe pensioenstelsel er nog geld genoeg is om een reserve aan te leggen om grote schommelingen in het verwachte pensioen op te vangen en/of om bepaalde groepen te kunnen compenseren als dat nodig is. Een verhoging leek en lijkt, gezien de financiële gezondheid van het fonds, eventuele maatregelen in de toekomst niet in de weg te staan.

Er is geen recht op toekomstige toeslagen (behoudens onvoorwaardelijke toeslagen op de tot 1 januari 2010 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten op de excedentregeling). Het is niet zeker of en in hoeverre in de toekomst toeslagverlening wordt gegeven. Het pensioenfonds heeft geen geld gereserveerd voor toekomstige toeslagen; de premiestelling is gebaseerd op de ambitie om een nominaal pensioen te kunnen verstrekken. Toeslagen zijn afhankelijk van de middelen van het pensioenfonds, die voor een belangrijk deel worden beïnvloed door de jaarlijkse beleggingsresultaten.

Onvoorwaardelijke toeslagverlening excedentregeling

Onvoorwaardelijke toeslagen worden verleend op de pensioenaanspraken en -rechten die zijn opgebouwd in de excedentpensioenregelingen vóór 1 januari 2010.
De verleende toeslag per 1 januari 2026 bedraagt 2,82%.