Spring naar inhoud

Jaarrekening

19.1 Balans

(na resultaatbestemming)

(bedragen x € 1.000.000)       31-12-2022       31-12-2021
  Ref.              
ACTIVA                
                 
Beleggingen voor risico pensioenfonds 1              
Vastgoed beleggingen   1.550       1.491    
Aandelen   9.552       14.149    
Vastrentende waarden   16.382       21.919    
Derivaten   3.670       2.766    
Overige beleggingen   1.618       2.003    
        32.772       42.328
                 
Vorderingen en overlopende activa 2     3.253       844
                 
Overige activa 3     70       95
                 
TOTAAL ACTIVA       36.095       43.267
                 
                 
                 
PASSIVA                
                 
Stichtingskapitaal en reserves 4     2.671       3.976
Stichtingskapitaal       0       0
Solvabiliteitsreserve       2.671       3.976
                 
Technische voorzieningen 5     25.934       35.544
                 
Premie-egalisatiedepot 6     0       60
                 
Derivaten 7     7.250       3.218
                 
Overige schulden en overlopende passiva 8     240       469
                 
TOTAAL PASSIVA       36.095       43.267

19.2 Staat van baten en lasten

(bedragen x € 1.000.000)       2022       2021
  Ref.              
BATEN                
                 
Premiebijdragen voor risico pensioenfonds 9     1.334       1.129
                 
Beleggingsresultaten risico pensioenfonds 10     -11.451       242
                 
TOTAAL BATEN       -10.117       1.371
                 
                 
                 
                 
LASTEN                
                 
Pensioenuitkeringen 11     538       481
                 
Pensioenuitvoeringskosten 12     22       22
                 
Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds 13              
Pensioenopbouw   1.566       1.537    
Toeslagverlening   1.930       -1    
Rentetoevoeging   -178       -198    
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringkosten   -543       -489    
Wijziging marktrente   -12.195       -2.605    
Wijziging actuariële grondslagen   84       0    
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten   -234       1.175    
Inkoop VPL   0       4    
Overige mutaties voorziening pensioenverplichting   -40       -8    
        -9.610       -585
                 
Saldo herverzekering 14     0       1
                 
Saldo overdrachten van rechten 15     231       -1.268
                 
Overige lasten 16     7       6
                 
TOTAAL LASTEN       -8.812       -1.343
                 
Saldo van baten en lasten       -1.305       2.714
                 
                 
                 
Bestemming van het saldo van baten en lasten                
Solidariteitsreserve       -1.305       2.714
Totaal saldo van baten en lasten       -1.305       2.714

(-) De bij de posten vermelde nummers verwijzen naar de toelichting op de staat van baten en lasten.

19.3 Kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de directe methode.

(bedragen x € 1.000.000)       2022       2021
                 
Kasstroom uit pensioenactiviteiten                
                 
Ontvangsten                
Ontvangen premies   1.272       1.171    
Ontvangen in verband met overdracht van rechten   113       1.318    
Ontvangen uitkeringen van herverzekeraars   2       1    
        1.387       2.490
Uitgaven                
Betaalde pensioenuitkeringen   -537       -480    
Betaald in verband met overdracht van rechten   -344       -56    
Betaalde premies herverzekering   -2       -2    
Betaalde pensioenuitvoeringskosten   -22       -21    
Betaalde overige kosten   -6       -1    
        -911       -560
                 
Totaal kasstroom uit pensioenactiviteiten       476       1.930
                 
Kasstroom uit beleggingsactiviteiten                
                 
Ontvangsten                
Ontvangen directe beleggingsopbrengsten   946       949    
Verkopen en aflossingen van beleggingen   192.244       170.410    
        193.190       171.359
Uitgaven                
Aankopen beleggingen   -190.971       -172.246    
Betaalde kosten van vermogensbeheer   -82       -88    
Overige   -2.638       -950    
        -193.691       -173.284
                 
Totaal kasstroom uit beleggingsactiviteiten       -501       -1.925
                 
Netto kasstroom       -25       5
                 
Liquide middelen per 1 januari (3)       95       90
Liquide middelen per 31 december (3)       70       95
Mutatie geldmiddelen       -25       5
                 
Waarvan:                
Voor risico pensioenfonds       70       95

(-) De bij de posten vermelde nummers verwijzen naar de toelichting op de balans.

19.4 Algemeen

Activiteiten

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (hierna 'het fonds') is opgericht in 1963, statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudend aan het Prinses Margrietplantsoen 89 te Den Haag.

De stichting is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 41199575.

Het fonds heeft overeenkomstig artikel 4 van de statuten als doel om binnen de kring van aangesloten werkgevers en overeenkomstig de bepalingen van de statuten en de reglementen van het fonds aan de deelnemers, de gewezen deelnemers, de pensioengerechtigden alsmede hun nabestaanden aanspraken c.q. rechten toe te kennen op uitkering bij ouderdom, arbeidsongeschiktheid of overlijden en/of op uitkering wegens vervroegde uittreding. Onder referentiepunt 5 in de balans bij de technische voorzieningen is een korte beschrijving van de verschillende pensioenregelingen opgenomen.

De gehanteerde grondslagen van waardering en van resultaatbepaling zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van het voorgaande jaar, met uitzondering van de toegepaste schattingswijzigingen zoals opgenomen onder de algemene grondslagen.

Overeenstemmingsverklaring

De jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zoals deze zijn opgenomen in Titel 9 Boek 2 BW en met inachtneming van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder RJ 610 Pensioenfondsen. Het bestuur heeft op 20 april 2023 de jaarrekening opgemaakt.

Alle bedragen zijn vermeld in euro's x 1.000.000, tenzij anders aangegeven.

Referenties

In de balans, staat van baten en lasten en het kasstroomoverzicht zijn referenties opgenomen waarmee wordt verwezen naar de toelichtingen op de balans en de staat van baten en lasten.

19.5 Grondslagen

Algemene grondslagen

Continuïteitsveronderstelling

De jaarrekening is opgesteld met inachtneming van de continuïteitsveronderstelling. Voor de toelichting op de continuïteit wordt verwezen naar de toelichting op het stichtingskapitaal.

Opname van een actief of een verplichting

Een actief wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische voordelen naar het fonds zullen toevloeien en de waarde daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Een verplichting wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen en de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Verantwoording van baten en lasten

Baten worden in de staat van baten en lasten opgenomen wanneer een vermeerdering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermeerdering van een actief of een vermindering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Lasten worden verwerkt wanneer een vermindering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermindering van een actief of een vermeerdering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Als een transactie ertoe leidt dat alle of nagenoeg alle toekomstige economische voordelen en alle of nagenoeg alle risico’s met betrekking tot een actief of een verplichting aan een derde zijn overgedragen, wordt het actief of de verplichting niet langer in de balans opgenomen. Verder worden activa en verplichtingen niet meer in de balans opgenomen vanaf het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van waarschijnlijkheid van de toekomstige economische voordelen en betrouwbaarheid van de bepaling van de waarde.

Dit betekent dat transacties worden verwerkt op handelsdatum en niet op afwikkelingsdatum. Als gevolg hiervan kan sprake zijn van een post 'nog af te wikkelen transacties'. Deze post kan zowel een actief als een passief zijn.

Saldering van een actief en een verplichting

Een financieel actief en een financiële verplichting worden gesaldeerd als nettobedrag in de balans opgenomen indien sprake is van een wettelijke of contractuele bevoegdheid om het actief en de verplichting gesaldeerd en gelijktijdig af te wikkelen en bovendien de intentie bestaat om de posten op deze wijze af te wikkelen. De met de gesaldeerd opgenomen financiële activa en financiële verplichtingen samenhangende rentebaten en rentelasten worden eveneens gesaldeerd opgenomen.

Vreemde valuta

Functionele valuta
De jaarrekening is opgesteld in euro's, zijnde de functionele en presentatievaluta van het fonds.

Transacties, vorderingen en schulden

Transacties in vreemde valuta gedurende de verslagperiode zijn in de jaarrekening verwerkt tegen de koers op transactiedatum. Activa en verplichtingen in vreemde valuta worden omgerekend naar euro's tegen de koers per balansdatum. De uit de afwikkeling en omrekening voortvloeiende koersverschillen komen ten gunste of ten laste van de staat van baten en lasten.

De koersen van de belangrijkste valuta

    31 december 2022   Gemiddeld 2022   31 december 2021   Gemiddeld 2021
                 
USD   0,9370   0,9073   0,8794   0,8472
GBP   1,1271   1,1582   1,1910   1,1529
JPY   0,0071   0,0074   0,0076   0,0078

Schattingswijziging

De opstelling van de jaarrekening in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW vereist dat het bestuur oordelen vormt en schattingen en veronderstellingen maakt die van invloed zijn op de toepassing van grondslagen en de gerapporteerde waarde van activa en passiva en van baten en lasten.

De schattingen en onderliggende veronderstellingen worden voortdurend beoordeeld.

Indien het voor het geven van het in artikel 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen opgenomen bij de toelichting op de desbetreffende jaarrekeningposten.

In 2022 zijn onderstaande grondslagen aangepast:

  • In september 2022 heeft het Koninklijk Actuarieel Genootschap de Prognosetafel AG2022 gepubliceerd. Het pensioenfonds is in 2022 overgegaan op deze prognosetafel. Dit heeft per 31 december 2022 een verhogend effect op de technische voorzieningen van € 223,2 en een negatief effect op de dekkingsgraad van 1,0%-punt. 
  • Ook heeft een aanpassing van de correctiefactoren op sterftekansen, ofwel de ervaringssterfte, plaatsgevonden. Deze aanpassing is in 2022 doorgevoerd en heeft per 31 december 2022 een verlagend effect op de technische voorzieningen van € 164,4  en daardoor een positief effect op de dekkingsgraad van 0,7%-punt.
  • Het pensioenfonds heeft de opslag voor toekomstige uitvoeringskosten in 2022 conform beleid getoetst en op basis daarvan besloten de opslag te verlagen van 2% naar 1,8%. Als gevolg van deze verlaging zijn de technische voorzieningen per 31 december 2022 met € 49,1 afgenomen. Het effect op de dekkingsgraad is 0,2%-punt positief.
  • Bij de berekening van de technische voorziening voor latent partnerpensioen bij (gewezen) deelnemers worden fondsspecifieke partnerfrequenties gehanteerd. Deze partnerfrequenties zijn in 2022 gewijzigd. Als gevolg van deze wijziging zijn de technische voorzieningen per 31 december 2022 met € 56,4 toegenomen. Het effect op de dekkingsgraad is 0,2%-punt negatief.
  • De IBNR-voorziening is aangepast. Als gevolg van een gewijzigde opslag voor premievrijgestelde pensioenopbouw en een gewijzigde opslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen is deze technische voorziening per 31 december 2022 met € 17,8 toegenomen. Het effect op de dekkingsgraad is 0,1%-punt negatief.

Dekkingsgraden

De beleidsdekkingsgraad is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van de nominale dekkingsgraden over de laatste 12 maanden. Hierbij wordt steeds gebruik gemaakt van de gepubliceerde dekkingsgraden. 

De (nominale) dekkingsgraad van het fonds wordt berekend door op balansdatum het stichtingskapitaal, de solvabiliteitsreserve en technische voorzieningen te delen door de technische voorzieningen zoals opgenomen in de balans.

De reële dekkingsgraad is gedefinieerd als de beleidsdekkingsgraad gedeeld door de ‘indexatiedekkingsgraad’. De dekkingsgraad waarbij volledige toeslagverlening op basis van prijsinflatie mogelijk is, is onafhankelijk van de eigen toeslagambitie van het fonds.

Grondslagen voor waardering van activa en passiva

Beleggingen

Algemeen

De beleggingen worden gewaardeerd tegen actuele waarde op 31 december van het boekjaar.

Onder waardering op actuele waarde wordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn.

De waardering van participaties in beursgenoteerde beleggingsinstellingen vindt plaats tegen de marktnotering op de balansdatum. Bij niet-beursgenoteerde beleggingsinstellingen geschiedt de waardering waarbij deze fondsen de intrinsieke waarde vaststellen door bezittingen en verplichtingen op actuele waarde op de balansdatum. 

Slechts indien de actuele waarde van een belegging niet betrouwbaar kan worden vastgesteld vindt waardering plaats op basis van geamortiseerde kostprijs.

Vorderingen inzake beleggingen zijn onder de vorderingen en overlopende activa verantwoord. Schulden inzake beleggingen zijn onder de overige schulden en overlopende passiva verantwoord.

Verwerking van waardeveranderingen van beleggingen

Alle gerealiseerde- en ongerealiseerde waardeveranderingen van beleggingen, inclusief valutakoersverschillen, worden als beleggingsopbrengsten in de staat van baten en lasten opgenomen.

Vastgoedbeleggingen

Directe belangen in vastgoed worden gewaardeerd tegen actuele waarde op 31 december van het boekjaar. De actuele waarde van de directe belangen wordt voor het overgrote deel van de portefeuille bepaald middels gedurende het jaar uitgevoerde externe taxaties.

De actuele waarde wordt gebaseerd op de onderhandse verkoopwaarde, welke bij aanbieding in verhuurde staat, op de voor het onroerend goed meest geschikte wijze, na de beste voorbereiding, door de meest biedende gegadigde – niet zijnde de huurder – zou kunnen worden verkregen. De kosten van verwerving, bestaande uit notariskosten, verschuldigde overdrachtsbelasting en dergelijke, komen voor rekening van de koper en zijn derhalve niet in de actuele waarde begrepen.

De onderhandse verkoopwaarde is gebaseerd op actuele marktprijzen, indien noodzakelijk, aangepast voor specifieke omstandigheden en courantheid van het object. Als deze informatie onvoldoende beschikbaar is, worden marktprijzen geschat op basis van de gekapitaliseerde huurwaardemethode of contante waarde methode.

Vastgoed in ontwikkeling wordt gewaardeerd op basis van gedane uitgaven, inclusief bouwrente, waarbij wordt getoetst of die uitgaven tot waardeveranderingen leiden. Na oplevering worden (her)ontwikkelde objecten naar actuele waarde geherwaardeerd. Objecten in het boekjaar verkocht maar met levering in het volgende boekjaar zijn niet als verkoop in het boekjaar verantwoord.

Indirecte belangen in vastgoed worden gewaardeerd zoals hiervoor onder 'Algemeen’ beschreven. 

Aandelen

Aandelen worden gewaardeerd zoals hiervoor onder ‘Algemeen’ beschreven.

Vastrentende waarden

Vastrentende waarden worden gewaardeerd zoals hiervoor onder ‘Algemeen’ beschreven.

Derivaten

Derivaten worden gewaardeerd op reële waarde, te weten de relevante marktnoteringen of, als die niet beschikbaar zijn, de waarde die wordt bepaald met behulp van marktconforme en toetsbare waarderingsmodellen. Voor het berekenen van de marktwaarde van renteswaps wordt als basis de € STR-rentecurve (Overnight Indexed Swap (OIS)-discounting) gebruikt.

Indien een derivatenpositie negatief is, is deze onder de passiva zijde van de balans opgenomen onder derivaten.

Overige beleggingen

Overige beleggingen worden gewaardeerd op actuele waarde.

Vorderingen en overlopende activa

Vorderingen en overlopende activa worden bij eerste verwerking gewaardeerd op reële waarde. Na eerste verwerking worden vorderingen gewaardeerd op geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen sprake is van transactiekosten) onder aftrek van eventuele bijzondere waardeverminderingen, indien sprake is van oninbaarheid.

Liquide middelen

Liquide middelen worden tegen nominale waarde gewaardeerd. Onder de liquide middelen zijn opgenomen die kas- en banktegoeden die onmiddellijk opeisbaar zijn. Zij worden onderscheiden van tegoeden in verband met beleggingstransacties. Liquide middelen uit hoofde van beleggingstransacties worden gepresenteerd onder de beleggingen. Eventuele rekening-courantschulden bij banken zijn opgenomen onder schulden aan kredietinstellingen onder overige schulden.

Stichtingskapitaal en reserves

Stichtingskapitaal en reserves worden bepaald door het bedrag dat resteert nadat alle actiefposten en posten van het vreemd vermogen, inclusief de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds en overige technische voorzieningen, volgens de van toepassing zijnde waarderingsgrondslagen in de balans zijn opgenomen.

Technische voorzieningen

Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds

De voorziening voor pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds wordt gewaardeerd op actuele waarde (marktwaarde). De actuele waarde wordt bepaald op basis van de contante waarde van de beste inschatting van toekomstige kasstromen die samenhangen met de op balansdatum onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen.

Onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen zijn de opgebouwde nominale aanspraken en de onvoorwaardelijke (toezeggingen tot) toeslagen. De contante waarde wordt bepaald met gebruikmaking van de marktrente, waarvoor de gemiddelde discontovoet zoals gepubliceerd door DNB wordt gebruikt.

Bij de berekening van de voorziening pensioenverplichtingen is uitgegaan van het op de balansdatum geldende pensioenreglement en van de over de verstreken deelnemersjaren verworven aanspraken. Jaarlijks wordt door het bestuur besloten of toeslagen op de opgebouwde pensioenaanspraken worden verleend. Alle op balansdatum bestaande besluiten tot toeslagverlening (ook voor besluiten na balansdatum voor zover sprake is van ex ante condities) zijn in de berekening begrepen. Er wordt geen rekening gehouden met toekomstige salarisontwikkelingen.

Bij de berekening van de voorziening wordt rekening gehouden met premievrije pensioenopbouw in verband met invaliditeit op basis van de contante waarde van de toekomstige pensioenopbouw waarvoor premievrijstelling is verleend wegens arbeidsongeschiktheid.

In de voorziening pensioenverplichtingen zijn verder de volgende posten opgenomen:

  • Een voorziening voor het tweejarig uitlooprisico met betrekking tot arbeidsongeschiktheid;
  • Een voorziening voor onvoorwaardelijke toeslagen voor de tot 1 januari 2010 opgebouwde rechten in excedentregelingen. Hierbij is voor nog niet toegekende toeslagen verondersteld dat er jaarlijks 2% wordt geïndexeerd.
  • Een voorziening voor de nog toe te kennen aanvullende onvoorwaardelijke toeslagen voor de voormalige populatie van Pensioenfonds TNT Express, als onderdeel van de voorwaarden van de collectieve waardeoverdracht.

Bij de bepaling van de actuariële uitgangspunten wordt uitgegaan van acceptabele grondslagen, waarbij rekening wordt gehouden met de voorzienbare trend in overlevingskansen.

De berekeningen zijn uitgevoerd op basis van de volgende actuariële grondslagen en veronderstellingen:

  • Marktrente: de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur op balansdatum;
  • Sterftegrondslagen: AG prognosetafel 2022 (2021: AG prognosetafel 2020), startjaar 2023 (2021: startjaar 2022), met leeftijdsafhankelijke correctiefactoren op de sterftekansen 2022 (2021: leeftijdsafhankelijke correctiefactoren op de sterftekansen 2020);
  • Opslag wezenpensioen in technische voorziening: 1,0% van de technische voorziening voor het uitgesteld partnerpensioen behorende bij niet ingegaan ouderdomspensioen (2021: idem);
  • Gehuwdheidsfrequenties: voor alle actieve en nog niet gepensioneerde gewezen deelnemers worden tot de 66-jarige leeftijd fondsspecifieke leeftijds- en geslachtsafhankelijke partnerfrequenties toegepast. Vanaf de 66-jarige leeftijd bedraagt de partnerfrequentie 1 (2021: idem). Voor gepensioneerden wordt het bepaalde partnertarief gehanteerd (2021: idem); 
  • Leeftijdsverschil Man-Vrouw: 3 jaar (2021: idem);
  • Als gevolg van een gewijzigde opslag voor premievrijgestelde pensioenopbouw 2023 (van 3,6% naar 3,8%) en een gewijzigde opslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen 2023 (van 0,8% naar 1,0%), is de IBNR-voorziening per 31 december 2022 aangepast. 
  • Arbeidsongeschiktheid en revalideringskansen bij arbeidsongeschiktheid: geen revalidatiekans (2021: idem)
  • Kostenopslag excasso: 1,8% (2021: 2%) van de netto pre-pensioenenverplichtingen, 1,8% (2021: 2%) van de netto overige pensioenverplichtingen;
  • Kostenopslag lopende kosten: gelijk aan de verwachte uitvoeringskosten in het boekjaar, onder aftrek van de verwachte vrijval uit de technische voorziening in het boekjaar over de verrichte uitkeringen (2021: idem);
  • Risicopremie wezenpensioen: 5% van de risicopremie voor het partnerpensioen (2021: idem);
  • Risicopremie premievrijstelling: 3,6% opslag van de bruto premie op basis van de DNB RTS (2021: idem).

Premie-egalisatiedepot

Het premie-egalisatiedepot is onderdeel van de CDC-financieringsafspraak tussen de sociale partners. Het is een depot ter egalisatie van de premie in eerste instantie over de looptijd van de cao afspraak tot en met 31 december 2020, maar in 2020 is besloten het depot vooralsnog ook na 31 december 2021 aan te houden. De middelen zijn tijdens de looptijd niet anders gebruikt dan voor dekking van de gedempte kostendekkende premie in enig jaar en of (extra) indexatie, in casu de opbouw van de pensioenaanspraken van actieve deelnemers. In feite is het een schuld aan de deelnemers gedurende de looptijd van de afspraak.

In de jaren waarin de ontvangen doorsneepremie voor de pensioenregelingen hoger is dan de gedempte kostendekkende premie voor de pensioenregelingen, is dit verschil (overschot ten opzichte van de gedempte kostendekkende premie) toegevoegd aan het premie-egalisatiedepot, in de jaren waarin de doorsneepremie lager was is het verschil onttrokken aan het premie-egalisatiedepot. In 2022 is een tekort van € 37 aan het depot onttrokken (2021: € 46 toegevoegd).

De toevoeging c.q. onttrekking aan het premie-egalisatiedepot wordt ex-ante vastgesteld. In 2022 is de ontvangen doorsneepremie voor de pensioenregelingen lager dan de gedempte kostendekkende premie voor de pensioenregelingen. Dit verschil is (tekort ten opzichte van de gedempte kostendekkende premie) onttrokken aan het premie-egalisatiedepot.

Met ingang van 1 januari 2023 is het premiebeleid van het fonds gewijzigd en wordt de gedempte kostendekkende premie niet langer vastgesteld op basis van een 120-maands-gemiddelde rente, maar op basis van het toekomstige verwacht rendement (inclusief een afslag voor toekomstige toeslagverlening). Tezamen met deze wijziging heeft het bestuur besloten het premie-egalisatiedepot per 31 december 2022 te beëindigen. Het in het premie-egalisatiedepot resterende saldo van € 23 miljoen is toegevoegd aan de in 2022 ontvangen doorsneepremie en komt daarmee ten gunste aan het premieresultaat over 2022.

Overige schulden en overlopende passiva

Overige schulden en overlopende passiva worden bij eerste verwerking gewaardeerd op reële waarde. Na eerste verwerking worden schulden gewaardeerd op geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen sprake is van transactiekosten).

Kortlopende schulden hebben een looptijd korter dan een jaar.

Grondslagen voor bepaling van het resultaat

Algemeen

De in de staat van baten en lasten opgenomen posten zijn in belangrijke mate gerelateerd aan de in de balans gehanteerde waarderingsgrondslagen voor beleggingen en de voorziening pensioenverplichtingen. Zowel gerealiseerde als ongerealiseerde resultaten worden rechtstreeks verantwoord in het resultaat.

Premiebijdragen (van werkgevers en werknemers)

Onder premiebijdragen van werkgevers en werknemers wordt verstaan de aan derden in rekening gebrachte of te brengen bedragen voor de in het verslagjaar verzekerde pensioenen onder aftrek van kortingen. Premies zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben. Extra stortingen en opslagen op de premie zijn eveneens als premiebijdragen verantwoord. Ambtshalve premies zonder opbouw maken geen onderdeel uit van de premiebaten. Hiervoor is een schuld opgenomen onder overige schulden en overlopende passiva (nog te verrekenen premies).

Beleggingsresultaten risico pensioenfonds

Indirecte beleggingsopbrengsten

Onder de indirecte beleggingsopbrengsten worden verstaan de gerealiseerde- en ongerealiseerde waardewijzigingen inclusief valutaresultaten. In de jaarrekening wordt geen onderscheid gemaakt tussen gerealiseerde en ongerealiseerde waardeveranderingen van beleggingen. Alle waardeveranderingen van beleggingen, inclusief valutakoersverschillen, worden als beleggingsopbrengsten in de staat van baten en lasten opgenomen. Indirecte beleggingsresultaten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Directe beleggingsopbrengsten

Onder de directe beleggingsopbrengsten wordt in dit verband verstaan rentebaten en -lasten, dividenden, huuropbrengsten en soortgelijke opbrengsten. De directe opbrengsten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Dividend wordt verantwoord op het moment van betaalbaarstelling.

Kosten vermogensbeheer

Onder kosten van vermogensbeheer worden zowel de externe als de daaraan toegerekende interne kosten verstaan. Afschrijvingen en andere exploitatiekosten van onroerende zaken in exploitatie zijn in de kosten van vermogensbeheer opgenomen.

Verrekening van kosten

Met de directe en indirecte beleggingsopbrengsten zijn verrekend de aan de opbrengsten gerelateerde transactiekosten, provisies, valutaverschillen en overige kostencomponenten.

Pensioenuitkeringen

De pensioenuitkeringen betreffen de aan deelnemers uitgekeerde bedragen inclusief afkopen. De pensioenuitkeringen zijn berekend op actuariële grondslagen en toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben.

Pensioenuitvoeringskosten

De pensioenuitvoeringskosten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Personeelsbeloningen (lonen, sociale lasten en pensioenpremies) vormen geen aparte regel in de staat van baten en lasten. Deze kosten zijn opgenomen onder de pensioenuitvoeringskosten. Lonen, salarissen en sociale lasten worden op grond van de arbeidsvoorwaarden verwerkt in de staat van baten en lasten voor zover ze verschuldigd zijn aan werknemers respectievelijk de belastingautoriteit.

Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds

Pensioenopbouw

Bij de pensioenopbouw zijn aanspraken en rechten over het boekjaar gewaardeerd naar het niveau dat zij op balansdatum hebben.

Rentetoevoeging

De rentetoevoeging betreft de verhoging van de voorziening pensioenverplichtingen op basis van de éénjaarsrente op de interbancaire swapmarkt aan het begin van het verslagjaar.

Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten

Vooraf wordt een actuariële berekening gemaakt van de toekomstige pensioenuitvoeringskosten (met name excassokosten) en pensioenuitkeringen die in de voorziening pensioenverplichtingen worden opgenomen. Deze post betreft de vrijval ten behoeve van de financiering van de kosten en uitkeringen van het verslagjaar.

Wijziging marktrente

Jaarlijks wordt op 31 december de marktwaarde van de voorziening pensioenverplichtingen herrekend door toepassing van de actuele RTS.

Wijzigingen actuariële uitgangspunten

Jaarlijks worden de actuariële grondslagen en/of methoden beoordeeld en mogelijk herzien ten behoeve van de berekening van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interne en externe actuariële deskundigheid. Dit betreft onder meer de vergelijking van veronderstellingen ten aanzien van sterfte, langleven, arbeidsongeschiktheid met werkelijke waarnemingen, zowel voor de gehele bevolking als voor de populatie van het fonds.

De vaststelling van de toereikendheid van de voorziening voor pensioenverplichtingen is een inherent onzeker proces, waarbij gebruik wordt gemaakt van schattingen en oordelen door het bestuur van het fonds. Het effect van deze wijzigingen wordt verantwoord in het resultaat op het moment dat de actuariële uitgangspunten worden herzien.

Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten

Hieronder is opgenomen het saldo van de actuarieel benodigde koopsommen voor overgenomen pensioenverplichtingen en de vrijval van de voorziening pensioenverplichtingen die betrekking heeft op de overgedragen pensioenverplichtingen.

Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen

Hier worden verschillende mutatieredenen samengenomen die niet onder een eerdere mutatiereden zijn opgenomen.

Saldo herverzekeringen

Uitgaande herverzekeringspremies worden verantwoord in de periode waarop de herverzekering betrekking heeft.

Saldo overdrachten van rechten

De post saldo overdrachten van rechten bevat het saldo van bedragen uit hoofde van overgenomen dan wel overgedragen pensioenverplichtingen.

Overige baten en lasten

Overige baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht is volgens de directe methode opgesteld. Alle ontvangsten en uitgaven worden hierbij als zodanig gepresenteerd. Onderscheid wordt gemaakt tussen kasstromen uit pensioenactiviteiten en beleggingsactiviteiten.

19.6 Toelichting op de balans

Activa

(1) Beleggingen voor risico van het pensioenfonds

​​(1) Beleggingen voor risico van het pensioenfonds

Verloopoverzicht beleggingen voor risico pensioenfonds 2022

(bedragen x € 1.000.000)   Vastgoed beleggingen   Aandelen   Vastrentende waarden   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal
                         
Stand per 1 januari 2022   1.491   14.149   21.919   -452   2.003   39.110
Aankopen   171   3.909   15.757   146.911   24.222   190.971
Verkopen   -49   -6.793   -18.095   -142.675   -24.632   -192.244
Herwaardering   17   -1.794   -3.199   -7.365   34   -12.306
Overige mutaties   -81   81   0   0   -9   -9
Stand per 31 december 2022   1.550   9.552   16.382   -3.580   1.618   25.522
Schuldpositie derivaten (credit)                       7.250
Totaal                       32.772

In eerder jaren werden aandelen met een vastgoed karakter gepresenteerd onder de categorie vastgoed. Met ingang van 2022 is er betere data beschikbare vanuit de vermogensbeheerder en is de verschuiving van vastgoed naar aandelen doorgevoerd in het verloopoverzicht van de beleggingen over 2022. 

Verloopoverzicht beleggingen voor risico pensioenfonds 2021

(bedragen x € 1.000.000)   Vastgoed beleggingen   Aandelen   Vastrentende waarden   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal
                         
Stand per 1 januari 2021   1.026   12.061   20.580   2.498   1.887   38.052
Aankopen   520   3.929   16.178   135.376   16.107   172.110
Verkopen   -183   -4.388   -14.737   -135.002   -16.108   -170.418
Herwaardering   126   2.549   -102   -3.268   27   -668
Overige mutaties   2   -2   0   -56   90   34
Stand per 31 december 2021   1.491   14.149   21.919   -452   2.003   39.110
Schuldpositie derivaten (credit)                       3.218
Totaal                       42.328

De overige mutaties in 2021 bestaan voornamelijk uit mutaties van liquide middelen. Doordat de ontvangen pensioenpremies nagenoeg elke maand hoger zijn dan de betaalde uitkeringen en kosten komen maandelijks nieuwe middelen beschikbaar voor beleggingen. Voorts zijn op deze regel de mutaties van de opgelopen rente bij de derivaten verwerkt.

Vastgoed beleggingen

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Direct vastgoed   60   61
Indirect vastgoed (participaties in beleggingsfondsen)   1.490   1.349
Indirect vastgoed (aandelen)   0   81
Totaal   1.550   1.491

Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund   713   46,0%   723   48,5%
Achmea Dutch Residential Fund   394   25,4%   370   24,8%
ASR Dutch Prime Retail Fund   166   10,7%   163   10,9%
CBRE Dutch Residential Fund   143   9,2%     0,0%
Totaal   1.416   91,3%   1.256   84,2%

Aandelen

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Zelfstandig beursgenoteerde aandelen   9.440   13.983
Beursgenoteerde aandelen beleggingsfondsen   112   166
Totaal   9.552   14.149

Ultimo boekjaar bedragen zijn er geen beleggingen groter dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie.

Vastrentende waarden

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Staatsobligaties   8.438   11.925
Inflatiegerelateerde obligaties   37   0
Bedrijfsobligaties   5.485   8.017
Vastrentende waarden beleggingsfondsen   78   33
Hypotheekfondsen   1.989   1.582
Verhandelbare schuldbekentenissen (leningen)   28   0
Overige   327   362
Totaal   16.382   21.919

Van de obligatieportefeuille (categorie staatsobligaties) is eind 2022 € 6.516 (2021: € 9.733) gestort in een gesepareerd depot als zekerheid voor derivaten, voor het geval deze een negatieve marktwaarde krijgen. De gesepareerde obligaties staan niet zonder meer ter vrije beschikking van het fonds. Het feit dat genoemde bedragen beschikbaar zijn om als zekerheid te dienen, betekent niet dat deze bedragen ook volledig benodigd zijn als onderpand. De feitelijke behoefte aan onderpand hangt samen met de dagelijkse waardering van de derivaten.

Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Duitse Staatsobligaties   3.320   20,3%   4.749   21,7%
Nederlandse Staatsobligaties   3.221   19,7%   4.981   22,7%
Stichting PVF Particuliere Hypotheekfonds   1.303   8,0%   1.547   7,1%
Totaal   7.844   48,0%   11.277   51,5%

Derivaten

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Valutaderivaten   361   72
Rentederivaten   3.307   2.687
Overige derivaten   2   7
Totaal   3.670   2.766

Ultimo boekjaar bedragen zijn er geen beleggingen groter dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie.

De derivaten worden in de paragraaf risicobeheer toegelicht.

Overige beleggingen

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Geldmarktfondsen   1.483   1.858
Liquide middelen   135   145
Totaal   1.618   2.003

De liquide middelen, die deels worden aangehouden in de vorm van geldmarktfondsen, omvatten voornamelijk saldi in verband met aangekochte posities in futures en valutatermijncontracten. Voorts zijn hieronder begrepen de door investment managers beheerde liquide middelen van het fonds.

Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Northern Trust Euro Liquidity Fund Class E   481   29,7%   301   15,0%
Northern Trust USD Cash Fund   352   21,7%   485   24,2%
ICS Institutional Euro Liquidity Fund   174   10,8%   420   21,0%
Achmea IM Euro Local Government Loans Fund   166   10,3%   291   14,5%
Goldman Sachs Euro Liquid Reserves Fund (T) Class   150   9,3%   0   0%
Deutsche Managed Euro Fund Platinum   147   9,1%   346   17,3%
Totaal   1.324   81,8%   1.497   74,7%

Securities lending

Het fonds geeft geen effecten in bruikleen (securities lending).

Schattingen en oordelen

Zoals vermeld in de toelichting zijn de beleggingen van het pensioenfonds nagenoeg allemaal gewaardeerd tegen actuele waarde op balansdatum en is het over het algemeen mogelijk en gebruikelijk om de actuele waarde binnen een aanvaardbare bandbreedte van schattingen vast te stellen. Voor sommige andere financiële instrumenten, zoals beleggingsvorderingen en -schulden, geldt dat de boekwaarde de actuele waarde benadert als gevolg van het kortetermijnkarakter van de vorderingen en schulden. De boekwaarde van alle activa en de financiële verplichtingen op balansdatum benadert de actuele waarde.

Voor de meerderheid van de beleggingen is sprake van objectief vast te stellen marktnoteringen. Voor bepaalde beleggingen zijn deze niet beschikbaar en vindt waardering plaats op basis van waarderingsmodellen en technieken, inclusief verwijzing naar de huidige reële waarde van vergelijkbare instrumenten en het gebruik van schattingen.

Schattingen van de actuele waarde zijn een momentopname, gebaseerd op de marktomstandigheden en de beschikbare informatie over het financiële instrument. Deze schattingen zijn van nature subjectief en bevatten onzekerheden en een significante oordeelsvorming (bijvoorbeeld rentestand, volatiliteit, schatting van kasstromen, etc.) en kunnen derhalve niet met precisie worden vastgesteld.

  • Genoteerde marktprijzen:
    De waarde van de belegging is gebaseerd op direct waarneembare marktnoteringen van identieke beleggingen in een actieve markt
  • Onafhankelijke taxaties:
    Dit betreft uitsluitend directe belangen in vastgoed. Deze worden gewaardeerd tegen actuele waarde op 31 december van het boekjaar. De actuele waarde van de directe belangen wordt voor het overgrote deel van de portefeuille bepaald middels gedurende het jaar uitgevoerde externe taxaties.
  • Contante waarde berekening:
    Actuele waarde wordt vastgesteld aan de hand van waarderingsmodellen waarin gebruik is gemaakt van waarneembare marktdata. Voor het berekenen van de marktwaarde van de renteswaps wordt als basis de € STR-rentecurve (OIS-discounting) gebruikt.
  • Andere methode:
    De waarde wordt vastgesteld met waarderingsmodellen waarin geen gebruik is gemaakt van waarneembare marktdata. De marktwaarde van de hypotheken is berekend door middel van de DCF-methode. Bij de reële waardeberekening is uitgegaan van een aantal parameters en/of veronderstellingen met betrekking tot de disconteringsvoet en de verwachte kasstroom. De disconteringsvoet bestaat uit een basisrente gelijk aan de euroswapcurve plus opslagen voor type onderpand, soort financiering en risicocategorie. De verwachte kasstroom is de te ontvangen rente en aflossing op basis van de het gewogen gemiddelde momenten van de ontvangst inclusief het vervroegd aflossingsrisico. De gehanteerde parameters in het DCF-model zijn ultimo boekjaar geactualiseerd.

Op basis van deze indeling kan de beleggingsportefeuille als volgt worden samengevat:

(bedragen x € 1.000.000)   Genoteerde marktprijzen   Onafhankelijke taxaties   Contante waarde berekening   Andere Methode   Totaal
                     
Vastgoed beleggingen   0   60   0   1.490   1.550
Aandelen   9.440   0   0   112   9.552
Vastrentende waarden   14.287   0   28   2.067   16.382
Derivaten   1   0   -3.581   0   -3.580
Overige beleggingen   937   0   0   681   1.618
Stand per 31 december 2022   24.665   60   -3.553   4.350   25.522
(bedragen x € 1.000.000)   Genoteerde marktprijzen   Onafhankelijke taxaties   Contante waarde berekening   Andere Methode   Totaal
                     
Vastgoed beleggingen   0   61   0   1.430   1.491
Aandelen   14.119   0   0   30   14.149
Vastrentende waarden   20.304   0   0   1.614   21.919
Derivaten   3   0   -454   0   -452
Overige beleggingen   1.211   0   0   792   2.003
Stand per 31 december 2021   35.637   61   -454   3.867   39.110

(2) Vorderingen en overlopende activa

​(2) Vorderingen en overlopende activa

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Premievorderingen   265   264
Vorderingen uit hoofde van collectieve waardeovernames   0   6
Beleggingsdebiteuren   2.988   573
Overige vorderingen en overlopende activa   0   1
Totaal   3.253   844

Alle vorderingen hebben een resterende looptijd korter dan één jaar.

(bedragen x € 1.000.000)        
Specificatie Premievorderingen   31-12-2022   31-12-2021
         
Premie debiteuren   276   270
Voorzieningen dubieuze debiteuren   -11   -6
Totaal   265   264
(bedragen x € 1.000.000)        
Specificatie verloop voorzieningen dubieuze debiteuren   31-12-2022   31-12-2021
         
Stand per 1 januari   6   10
Afboeking wegens oninbaarheid   -1   -2
Onttrekking/dotatie ten gunste/laste van staat van baten en lasten   6   -2
Stand per 31 december   11   6
(bedragen x € 1.000.000)        
Specificatie Beleggingsdebiteuren   31-12-2022   31-12-2021
         
Te ontvangen interest en dividend   256   256
Te ontvangen uit hoofde van transacties   55   82
Terug te vorderen dividendbelasting   30   39
Cash collateral   2.644   0
Overig   3   196
Totaal   2.988   573

(3) Overige activa

​(3) Overige activa

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Liquide middelen   70   95
Totaal   70   95

De liquide middelen worden aangehouden bij Nederlandse banken. De tegoeden staan ter vrije beschikking van het fonds.

(4) Stichtingskapitaal en reserves

Passiva

(4) Stichtingskapitaal en reserves

(bedragen x € 1.000.000)   Solvabiliteits-reserve
     
Stand per 1 januari 2021   1.262
Uit bestemmingssaldo van baten en lasten   2.714
Stand per 31 december 2021   3.976
Uit bestemmingssaldo van baten en lasten   -1.305
Stand per 31 december 2022   2.671

De solvabiliteitsreserve is maximaal gelijk aan het vereist eigen vermogen. De solvabiliteitsreserve kan echter nooit negatief zijn. Omdat het totaal eigen vermogen lager is dan het vereist eigen vermogen is de algemene reserve nihil. Het stichtingskapitaal is € 0.

Dekkingsgraad, vermogenspositie en herstelplan

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Feitelijke dekkingsgraad   110,3%   111,2%
Reële dekkingsgraad   83,1%   86,3%
Beleidsdekkingsgraad   111,1%   107,3%

Voor het bepalen van het vereist eigen vermogen (de solvabiliteitstoets) maakt het fonds gebruik van het standaard model. Het bestuur acht het gebruik van het standaardmodel passend voor de risico's van het fonds. De uitkomsten van de solvabiliteitstoets zijn opgenomen in de paragraaf 'Risicobeheer'.

Op basis hiervan bedraagt het (minimaal) vereist vermogen ultimo jaar:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Stichtingskapitaal en reserves   2.671   3.976
Minimaal vereist eigen vermogen   1.135   1.535
Vereist eigen vermogen   4.718   5.758

De dekkingsgraad van het fonds per 31 december 2022 is lager dan de vereiste dekkingsgraad van 118,2%, maar hoger dan de minimale vereiste dekkingsgraad van 104,4%. 

Evaluatie herstelplan

Als de beleidsdekkingsgraad van het fonds lager is dan de vereiste dekkingsgraad, moet een herstelplan worden opgesteld waaruit blijkt hoe het fonds het vermogen binnen 10 jaar op het vereiste niveau brengt. Jaarlijks wordt dit plan geëvalueerd en geactualiseerd. DNB heeft in mei 2022 ingestemd met het herstelplan 2022. Dat plan was gebaseerd op de situatie per eind 2021, startend met een dekkingsgraad van 111,2%. Volgens het in dit herstelplan 2022 opgenomen herstelpad zou de dekkingsgraad op 31 december 2022 113,2% hebben moeten bedragen. De feitelijk aanwezige dekkingsgraad op die datum is lager, namelijk 110,3%.

Ook in 2023 is een herstelplan opgesteld. Dit plan is gebaseerd op de situatie op 31 december 2022, dus startend met de dekkingsgraad van 110,3%. Het herstelplan laat zien dat de beleidsdekkingsgraad op basis van de gehanteerde uitgangspunten en veronderstellingen reeds in circa 5 jaar herstelt tot boven de vereiste dekkingsgraad. Het fonds heeft verwachte beleggingsrendementen gehanteerd die over het algemeen lager zijn dan de voor een herstelplan toegestane maximale rendementen. Op het moment van schrijven heeft DNB nog niet gereageerd op het herstelplan 2023.

Voorstel tot resultaatbestemming

Het saldo van de staat van baten en lasten wordt volledig onttrokken aan de solvabiliteitsreserve. 

(5) Technische voorzieningen

​(5) Technische voorzieningen

Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Stand per 1 januari   35.544   36.129
Pensioenopbouw   1.566   1.537
Toeslagverlening   1.930   -1
Rentetoevoeging   -178   -198
Onttrekking voor uitkeringen en pensioenuitvoeringkosten   -543   -489
Wijziging marktrente   -12.195   -2.605
Wijziging actuariële uitgangspunten   84   0
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten   -234   1.175
Overige mutaties   -40   -4
Stand per 31 december   25.934   35.544

Ultimo boekjaar bedraagt de gemiddelde discontovoet 2,5% (2021: 0,6%).

De voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds bestaat uit een pensioenregeling en een pre-pensioenregeling. Het verloop van beide regelingen is hieronder weergegeven.

Pensioenregeling

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Stand per 1 januari   35.457   36.029
Pensioenopbouw   1.566   1.537
Toeslagverlening   1.925   -1
Rentetoevoeging   -178   -197
Onttrekking voor uitkeringen en pensioenuitvoeringkosten   -537   -481
Wijziging marktrente   -12.183   -2.602
Wijziging actuariële uitgangspunten   25   0
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten   -233   1.175
Aanpassing sterftekansen   59   0
Overige mutaties   -37   -3
Stand per 31 december   25.864   35.457

Pre-pensioenregeling

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Stand per 1 januari   87   100
Rentetoevoeging   0   -1
Onttrekking voor uitkeringen en uitvoeringskosten   -6   -8
Wijziging marktrente   -12   -3
Toeslagverlening   5   0
Wijzigingen uit hoofde van overdracht van rechten   -1   0
Overige mutaties   -3   -1
Stand per 31 december   70   87

Pensioenopbouw

Onder pensioenopbouw is opgenomen de actuarieel berekende waarde van de pensioenopbouw in het boekjaar. Dit is het effect op de voorziening pensioenverplichtingen van de in het verslagjaar opgebouwde nominale rechten op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen. Ook de premie voor de dekking van de risico's ten aanzien van overlijden en arbeidsongeschiktheid is hierin opgenomen.

Voor Pre-pensioen vindt heen premieopbouw meer plaats, omdat de deelnemers die in 2006 nog pensioen konden opbouwen inmiddels met pensioen zijn.

Toeslagverlening

Het fonds kent voorwaardelijke en onvoorwaardelijke toeslag verlening. Vanwege de financiële positie van het fonds heeft het bestuur in eerste instantie in 2021 besloten per 1 januari 2022 geen toeslag te verlenen. Per 1 juli 2022 is het “Besluit tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader in verband met toeslag vanwege voorgenomen transitie” in werking getreden. Het bestuur heeft besloten voor 2022 gebruik te maken van de verruimde mogelijkheid tot toeslagverlening en heeft per 1 juli 2022 alsnog de volledige maatstaf van 1 januari 2022 van 3,24% toegekend (1 januari 2021: geen) op de aanspraken en rechten met een voorwaardelijke toeslagverlening. Ook voor de voorwaardelijke toeslagverlening per 1 januari 2023 is gebruik gemaakt van de verruiming van de toeslagverlening en is de volledige maatstaf van 3,09% per die datum toegekend. Dit besluit is eveneens genomen in boekjaar 2022.

Voor de onvoorwaardelijke rechten van de tot 1 januari 2010 opgebouwde aanspraken in de excedentregeling is een toeslag verleend van 12,45% per 1 januari 2023 (1 januari 2022: 1,29%). In de technische voorziening is een reservering opgenomen van 2% voor toekomstige onvoorwaardelijke toeslagverlening welke wordt verrekend met de werkelijk toegekende toeslag.

Voor de voormalige PF TNT Express populatie is het percentage van de in de toekomst toe te kennen toeslagen bepaald op basis van het per 1 december 2021 beschikbare bedrag, te weten 10,41% per 1 december 2021. De aanvullende toeslagen worden toegekend per 1 januari van enig jaar, voor het eerst per 1 januari 2022. Voor deze onvoorwaardelijke toeslagverlening is een voorziening gevormd ter grootte van € 71 per 31 december 2022. Omdat de toeslag niet in één keer per 1 december 2021 toegekend kon worden zal, door de latere toekenning, het totale toe te kennen percentage hoger zijn dan de initiële 10,41%.

Rentetoevoeging

De pensioenverplichtingen zijn aan het begin van het verslagjaar 2022 opgerent met -0,49% (2021: -0,53%), op basis van de éénjaarsrente op de interbancaire swapmarkt aan het begin van het verslagjaar.

Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten

Verwachte toekomstige pensioenuitkeringen worden vooraf actuarieel berekend en opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. De onder dit hoofd opgenomen afname van de voorziening betreft het bedrag dat vrijkomt ten behoeve van de financiering van de verwachte pensioenuitkeringen in de verslagperiode.

De onttrekking voor pensioenuitvoeringskosten bedraagt per einde 2022 2% van de verwachte afname van de voorziening pensioenverplichtingen voor het doen van uitkeringen en is bestemd voor het betalen van de uitvoeringskosten.

Wijziging rente

Jaarlijks wordt op 31 december de marktwaarde van de technische voorzieningen herrekend door toepassing van de gemiddelde discontovoet. Onderstaand rentepercentage drukt het gemiddelde percentage uit waartegen de voorziening wordt verdisconteerd ultimo boekjaar. Het financiële effect van de verandering van de RTS wordt verantwoord onder het hoofd 'wijziging marktrente' in het verloopoverzicht van de mutatie van de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het fonds.

Rentepercentage per 31 december

Gemiddelde discontovoet per   31-12-2022
     
    2,5%

Wijzigingen actuariële uitgangspunten

In 2022 zijn onderstaande actuariële uitgangspunten gewijzigd:

  • In september 2022 heeft het Koninklijk Actuarieel Genootschap de Prognosetafel AG2022 gepubliceerd. Het pensioenfonds is in 2022 overgegaan op deze prognosetafel. Dit heeft per 31 december 2022 een verhogend effect op de technische voorzieningen van € 223,2 en een negatief effect op de dekkingsgraad van 1,0%-punt. 
  • Ook heeft een aanpassing van de correctiefactoren op sterftekansen, ofwel de ervaringssterfte, plaatsgevonden. Deze aanpassing is in 2022 doorgevoerd en heeft per 31 december 2022 een verlagend effect op de technische voorzieningen van € 164,4  en daardoor een positief effect op de dekkingsgraad van 0,7%-punt.
  • Het pensioenfonds heeft de opslag voor toekomstige uitvoeringskosten in 2022 conform beleid getoetst en op basis daarvan besloten de opslag te verlagen van 2% naar 1,8%. Als gevolg van deze verlaging zijn de technische voorzieningen per 31 december 2022 met € 49,1 afgenomen. Het effect op de dekkingsgraad is 0,2%-punt positief.
  • Bij de berekening van de technische voorziening voor latent partnerpensioen bij (gewezen) deelnemers worden fondsspecifieke partnerfrequenties gehanteerd. Deze partnerfrequenties zijn in 2022 gewijzigd. Als gevolg van deze wijziging zijn de technische voorzieningen per 31 december 2022 met € 56,4 toegenomen. Het effect op de dekkingsgraad is 0,2%-punt negatief.
  • De IBNR-voorziening is aangepast. Als gevolg van een gewijzigde opslag voor premievrijgestelde pensioenopbouw en een gewijzigde opslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen is deze technische voorziening per 31 december 2022 met € 17,8 toegenomen. Het effect op de dekkingsgraad is 0,1%-punt negatief.

Wijziging uit hoofde overdracht van rechten

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Toevoeging aan de technische voorzieningen   107   1.225
Onttrekking aan de technische voorzieningen   -341   -50
Totaal   -234   1.175

De toevoeging aan de technische voorzieningen per 31-12-2021 (€ 1.225) werd voornamelijk veroorzaakt door de inkoop van aanspraken in verband met de collectieve waardeoverdracht van Pensioenfonds TNT Express.

Overige mutaties

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Resultaat op kanssysteem:        
- Sterfte   -48   -42
- Arbeidsongeschiktheid   3   29
Overige technische grondslagen   3   5
Overige inkoop VPL   2   4
Totaal   -40   -4

Afgezien van enkele nagekomen mutaties was er in 2022 geen impact meer op de voorziening pensioenverplichtingen als gevolg van VPL.

De voorziening voor pensioenverplichtingen is naar categorieën als volgt samengesteld:

(bedragen x € 1.000.000)   2022       2021    
                 
    Voorziening   Aantallen   Voorziening   Aantallen
                 
Actieven deelnemers   13.418   188.081   19.517   185.969
Gewezen deelnemers   5.503   311.731   8.242   397.383
Pensioengerechtigden   6.383   108.400   7.088   104.432
Netto pensioenverplichtingen   25.304   608.212   34.847   687.784
Toekomstige kosten uitvoering pensioenregeling   630       697    
Totaal   25.934   608.212   35.544   687.784

Korte beschrijving pensioenregeling

Deelnemers geboren op of na 1 januari 1950 (Reglement I)

Middelloonregeling met voorwaardelijke toeslagverlening. De jaarlijkse opbouw van het ouderdomspensioen is 1,788% van de pensioengrondslag. De opbouwperiode loopt van de 21-jarige leeftijd van de deelnemer tot de 68-jarige leeftijd. Ingeval van arbeidsongeschiktheid wordt naar rato van de mate van arbeidsongeschiktheid premievrije deelneming verleend.

Deelnemers geboren vóór 1 januari 1950 (Reglement VI)

Middelloonregeling met voorwaardelijke toeslagverlening. De regeling van Reglement VI is voor een belangrijk deel vergelijkbaar met Reglement I. De jaarlijkse opbouw van het ouderdomspensioen bedraagt 1,975% van de pensioengrondslag. De opbouwperiode loopt van de 21-jarige leeftijd van de deelnemer tot de 60-jarige leeftijd (oude regeling 21 jaar tot 65 jaar). Voor deelnemers die vanaf 31 maart 2001 tot de (vervroegde) ingangsdatum van het ouderdomspensioen onafgebroken deelnemer waren, is er een overgangsregeling. Het bestuur kan aan deze deelnemers een toeslag toekennen gelijk aan het positieve verschil van het ouderdomspensioen dat zou zijn verkregen bij voortzetting van de tot 1 april 2001 geldende regeling en het op de (vervroegde) ingangsdatum van het ouderdomspensioen daadwerkelijk opgebouwde ouderdomspensioen. Bij overlijden voor de (vervroegde) ingangsdatum van het ouderdomspensioen kan een vergelijkbare toeslag op het nabestaandenpensioen worden toegekend. Alle deelnemers van voor 1950 zijn inmiddels met pensioen. De regeling wordt in stand gehouden voor de deelnemers die vóór 2006 arbeidsongeschikt zijn geworden en binnen deze regeling premievrije opbouw genieten.

Prepensioenregeling goederenvervoer

De prepensioenregeling geldt per 1 januari 2002. De prepensioenregeling voorziet in een uitkering van 60 (richtleeftijd) tot 65 jaar. Vanaf 1 januari 2006 is deze regeling in het bijzonder van belang voor werknemers geboren tussen 1 april 1947 en 1 januari 1950. Zij bouwden na 1 januari 2006 nog prepensioen op. Alle deelnemers van voor 1950 zijn inmiddels met pensioen.

Een volledig prepensioen, dat voorziet in een uitkering van circa 85% van de prepensioengrondslag, wordt opgebouwd in een deelnemingsperiode van 39 jaar (van 21 tot 60 jaar). Omdat niet iedere werknemer in staat is voldoende prepensioen op te bouwen is door cao-partijen een overgangsregeling in het leven geroepen. Deze overgangsregeling heeft tot doel een aanvulling te geven op het prepensioen. De overgangsregeling is een voorwaardelijke regeling: het bestuur besliste jaarlijks, gegeven de financiële positie van het fonds, of de aanvulling kon worden toegekend aan de deelnemers die in het volgende kalenderjaar de reglementaire datum voor ingang van het overgangsrecht bereiken.

Alle deelnemers van voor 1950 zijn inmiddels met pensioen.

De hoogte van de prepensioenuitkering is afhankelijk van hetgeen aan prepensioen opgebouwd is. Per jaar werd 2,179% aan prepensioen opgebouwd. Het prepensioen werd opgebouwd over het vaste jaarsalaris en over het loon uit een aantal overuren en/of over de uren van het structureel verrichten van arbeid als gevolg van werken in een rouleersysteem volgens een rooster.

Prepensioenregelingen personenvervoer

De prepensioenregeling is van start gegaan op 1 januari 2004 en is per 1 januari 2006 van toepassing op werknemers in de sectoren besloten busvervoer en taxivervoer die geboren zijn vóór 1 januari 1950 en die op 31 december 2003 jonger waren dan 62 jaar.

De prepensioenregeling is met ingang van 1 januari 2006 alleen nog van toepassing op werknemers die geboren zijn vóór 1 januari 1950. Alle deelnemers van voor 1950 zijn inmiddels met pensioen. Bij een volledige opbouwperiode van 41 jaar (21 tot 62 jaar) komt een werknemer op 85% van de gemiddelde prepensioengrondslag uit. Ieder jaar wordt er 2,073% van de prepensioengrondslag van dat jaar opgebouwd. De prepensioenregeling is met ingang van 1 januari 2006 alleen nog van toepassing op werknemers die geboren zijn vóór 1 januari 1950.

Voor werknemers die bij de start van de regeling, 1 januari 2004, ouder dan 21 jaar waren is een overgangsregeling afgesproken. Deze overgangsregeling zorgt voor een aanvulling op het prepensioen tot 85% van de gemiddelde prepensioengrondslag. De overgangsregeling is een voorwaardelijke regeling. Het bestuur beslist jaarlijks, gegeven de financiële situatie van het fonds, of de aanvulling kan worden toegekend aan de deelnemers die in het volgende kalenderjaar de prepensioenleeftijd (62 jaar) bereiken. Het bestuur heeft besloten in 2011 de prepensioenaanspraken uit de overgangsregeling voor de betreffende groep deelnemers volledig toe te kennen.

Toeslagverlening

De toeslagen op pensioenrechten en pensioenaanspraken wordt jaarlijks vastgesteld door het bestuur van het fonds. De daadwerkelijke toeslag in een jaar is voorwaardelijk en is afhankelijk van de hoogte van de beschikbare middelen.

Er is geen recht op toekomstige toeslagen. Het is niet zeker of en in hoeverre in de toekomst wordt geïndexeerd. Het fonds heeft geen geld gereserveerd voor toekomstige toeslagen. Toeslagen zijn afhankelijk van de middelen van het fonds en daarvoor zijn beleggingsresultaten een belangrijk element.

Het fonds kent voorwaardelijke en onvoorwaardelijke toeslag verlening. Vanwege de financiële positie van het fonds heeft het bestuur in eerste instantie in 2021 besloten per 1 januari 2022 geen toeslag te verlenen.  Per 1 juli 2022 is het “Besluit tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader in verband met toeslag vanwege voorgenomen transitie” in werking getreden. Het bestuur heeft besloten voor 2022 gebruik te maken van de verruimde mogelijkheid tot toeslagverlening en heeft per 1 juli 2022 alsnog de volledig maatstaf van 1 januari 2022 van 3,24% toegekend (1 januari 2021: geen) op de aanspraken en rechten met een voorwaardelijke toeslagverlening. Ook voor de voorwaardelijke toeslagverlening per 1 januari 2023 is gebruik gemaakt van de verruiming van de toeslagverlening en is de volledige maatstaf van 3,09% per die datum toegekend. Dit besluit is eveneens genomen in boekjaar 2022. 

De onvoorwaardelijke toeslag op de tot 1 januari 2010 opgebouwde aanspraken in de excedentregeling betreft per 1 januari 2023 12,45% (1 januari 2022: 1,29%). In de technische voorziening is een reservering opgenomen van 2% voor onvoorwaardelijke toeslagverlening welke wordt verrekend met de werkelijk toegekende toeslag.

Voor de voormalige PF TNT Express populatie is het percentage van de in de toekomst toe te kennen toeslagen bepaald op basis van het per 1 december 2021 beschikbare bedrag, te weten 10,41% per 1 december 2021. De aanvullende toeslagen worden toegekend per 1 januari van enig jaar, voor het eerst per 1 januari 2022. Voor deze onvoorwaardelijke toeslagverlening is een voorziening gevormd ter grootte van € 71 per 31 december 2022. Omdat de toeslag niet in één keer per 1 december 2021 toegekend kon worden zal, door de latere toekenning, het totale toe te kennen percentage hoger zijn dan de initiële 10,41%.

Inhaaltoeslagen

Indien de beleidsdekkingsgraad hoger is dan de volledige toeslagengrens kan het bestuur eventueel besluiten om een extra toeslagverlening toe te passen. Daarvan zal alleen sprake kunnen zijn indien in eerdere jaren gekort is op de toeslagverlening en/of vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten heeft plaatsgevonden.

Een eventueel toekomstig voor een extra toeslagverlening beschikbaar budget zal als volgt worden vastgesteld:

  • het beschikbare budget is maximaal gelijk aan een vijfde van de overschrijding van de beleidsdekkingsgraad ten opzichte van de volledige toeslagengrens;
  • de beleidsdekkingsgraad moet na de extra toeslagverlening het niveau van het vereist eigen vermogen behouden.

De actieve en gewezen deelnemers van het fonds en de uitkeringsgerechtigden kunnen formeel geen aanspraak maken op een extra toeslagverlening als de situatie zoals hierboven beschreven aan de orde is. De reglementen en de ABTN van het fonds kennen geen rechten op inhaaltoeslagen. Het eventueel toch toekennen daarvan is aan het bestuur. Een eventueel in de toekomst voor een extra toeslagverlening beschikbaar komend budget zal op een door het fonds te bepalen wijze worden ingezet voor extra toeslagverlening op pensioenaanspraken en pensioenrechten van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden. Gelet op de financiële situatie van het fonds is extra toeslagverlening niet op korte termijn te verwachten.

(6) Premie-egalisatiedepot

​(6) Premie-egalisatiedepot

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Premie-egalisatiedepot   0   60
Totaal   0   60

Verloop premie-egalisatiedepot

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Stand per begin boekjaar   60   14
Dotatie/onttrekking inzake premies   -37   46
Vrijval resterend saldo ten gunste van de premie   -23   0
Totaal   0   60

Omdat voorzien wordt dat de doorsneepremie de komende jaren mogelijk niet altijd kostendekkend is, is een premie-egalisatiedepot voor de actieven gevormd. Door het vormen van dit depot is het mogelijk de doorsneepremie toch voor een langere periode vast te stellen.

In 2022 is € 37 o.b.v. de ex-ante toets op kostendekkendheid onttrokken aan het premie-egalisatiedepot (2021: € 46 toegevoegd). Dit is € 14 hoger dan op basis van de premietoets waarbij het verschil tussen de ex-post gedempte kostendekkende premie (€ 1.318) en de verschuldigde premie (€ 1.295) zou worden onttrokken aan het premie-egalisatiedepot. De impact van de rendementstoevoeging is verwaarloosbaar. Deze is bepaald door uit te gaan van de (zeer lage) 1-jaarsrente per 31 december 2021.

Met ingang van 1 januari 2023 is het premiebeleid van het fonds gewijzigd en wordt de gedempte kostendekkende premie niet langer vastgesteld op basis van een 120-maands-gemiddelde rente, maar op basis van het toekomstige verwacht rendement (inclusief een afslag voor toekomstige toeslagverlening). Tezamen met deze wijziging heeft het bestuur besloten het premie-egalisatiedepot per 31 december 2022 te beëindigen. Het in het premie-egalisatiedepot resterende saldo van € 23 miljoen is toegevoegd aan de in 2022 ontvangen doorsneepremie en komt daarmee ten gunste aan het premieresultaat over 2022.

(7) Derivaten

​(7) Derivaten

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Derivaten   7.250   3.218
Totaal   7.250   3.218

De derivaten zijn verantwoord conform de hiervoor beschreven grondslagen voor de waardering van activa en passiva. De derivaten worden in de paragraaf risicobeheer toegelicht. 

(8) Overige schulden en overlopende activa

​(8) Overige schulden en overlopende activa

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022   31-12-2021
         
Nog te verrekenen premies   80   82
Beleggingsschulden   142   365
Belastingen en premie sociale verzekeringen   11   10
Overige schulden en overlopende passiva   7   12
Totaal   240   469
(bedragen x € 1.000.000)        
Specificatie Beleggingsschulden   31-12-2022   31-12-2021
         
Cash collateral   16   306
Schulden kosten vermogensbeheer   23   20
Nog af te wikkelen transacties   103   39
Totaal   142   365

Alle schulden hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar. 

19.7 Risicobeheer

Het fonds wordt bij het beheer van de pensioenverplichtingen en de financiering daarvan geconfronteerd met risico's. Het bestuur beschikt over een aantal beleidsinstrumenten ten behoeve van het beheersen van deze risico's. Deze beleidsinstrumenten betreffen:

  • beleggingsbeleid;
  • premiebeleid;
  • herverzekeringsbeleid;
  • toeslagbeleid.

De keuze en toepassing van beleidsinstrumenten vindt plaats na uitvoerige analyses ten aanzien van te verwachten ontwikkelingen van de verplichtingen en de financiële markten. Daarbij wordt onder meer gebruikgemaakt van ALM studies. Een ALM studie is een analyse van de structuur van de pensioenverplichtingen en van verschillende beleggingsstrategieën en de ontwikkeling daarvan in diverse economische scenario's.

De uitkomsten van deze analyses vinden hun weerslag in jaarlijks door het bestuur vast te stellen beleggingsrichtlijnen als basis voor het uit te voeren beleggingsbeleid. De beleggingsrichtlijnen geven normen en limieten aan waarbinnen de uitvoering van het beleggingsbeleid moet plaatsvinden. Ze zijn gericht op het beheersen van de volgende belangrijkste (beleggings)risico's.

Solvabiliteitsrisico's

Het belangrijkste risico voor het fonds betreft het solvabiliteitsrisico, ofwel het risico dat het fonds niet beschikt over voldoende vermogen ter dekking van de pensioenverplichtingen. De solvabiliteit wordt gemeten op basis van zowel algemeen geldende normen als specifieke normen welke door de toezichthouder worden opgelegd.

Indien de solvabiliteit van het fonds zich negatief ontwikkelt, bestaat het risico dat het fonds de premie voor de ondernemingen en deelnemers moet verhogen en het risico dat er geen ruimte beschikbaar is voor een eventuele toeslagverlening op opgebouwde pensioenrechten. Op dit moment is de premie overigens al maximaal. In het uiterste geval kan het noodzakelijk zijn dat het fonds verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten moet verminderen.

De solvabiliteit wordt weergegeven door middel van de dekkingsgraad: de marktwaarde van het aanwezige vermogen uitgedrukt in de marktwaarde van de pensioenverplichtingen. Het solvabiliteitsrisico is in feite de combinatie van beleggings- en actuariële risico’s. 

Ontwikkeling dekkingsgraad

Ontwikkeling dekkingsgraad   2022   2021
         
Dekkingsgraad per 1 januari   111,2%   103,5%
Premie   -1,1%   -1,3%
Toeslagverlening   -5,7%   0,0%
Rendement   -31,8%   1,2%
Wijziging in de rente termijn structuur (RTS)   58,1%   8,0%
Uitkering   0,1%   0,0%
Wijzigingen actuariele grondslagen   -0,4%   0,0%
Overige oorzaken   -20,1%   -0,2%
Dekkingsgraad per 31 december   110,3%   111,2%

Zoals uit dit overzicht blijkt is de dekkingsgraad in 2022 gedaald. De overige oorzaken bestaan hoofdzakelijk uit zogenaamde kruiseffecten. De procentuele effecten van de diverse resultaatbronnen op de dekkingsgraad zijn conform de richtlijnen van DNB alle uitgedrukt ten opzichte van de primo dekkingsgraad. Dit zorgt ervoor dat de optelling van primo dekkingsgraad plus alle afzonderlijke procentuele effecten niet leidt tot de ultimo dekkingsgraad. Het verschil tussen deze twee wordt verantwoord onder de noemer "overige oorzaken" en betreft de kruiseffecten. In het algemeen geldt dat deze post groter wordt naarmate de uitschieters in de afzonderlijke resultaatscomponenten groter zijn.

Om het solvabiliteitsrisico te beheersen dient het fonds buffers in het vermogen aan te houden. De omvang van deze buffers (buffers plus de pensioenverplichtingen heten samen het vereist eigen vermogen) wordt vastgesteld met de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets (S-toets). Deze toets bevat een kwantificering van de bestuursvisie op de fondsspecifieke restrisico's (na afdekking).

De berekening van het vereist eigen vermogen en het hieruit voortvloeiende tekort aan het einde van het boekjaar is als volgt:

Vereist Eigen Vermogen   2022   2021
         
S1 Renterisico   1.397   535
S2 Risico zakelijke waarden   3.245   4.289
S3 Valutarisico   1.129   1.535
S4 Grondstoffenrisico   0   0
S5 Kredietrisico   813   1.450
S6 Verzekeringstechnische risico   800   1.123
S7 Liquiditeitsrisico   0   0
S8 Concentratierisico   0   0
S9 Operationeel risico   0   0
S10 Actief beheerrisico   167   252
Diversificatie-effect   -2.833   -3.428
Vereist Eigen Vermogen per 31 december   4.718   5.758

Het vereist eigen vermogen wordt bepaald op basis van de strategische beleggingsmix. Het vereist eigen vermogen op basis van de strategische mix uitgedrukt in percentages bedraagt ultimo 2022 18,2% (2021: 16,2%). Het vereist eigen vermogen op basis van de feitelijke beleggingsmix bedraagt ultimo 2022 19,6% (2021: 17,8%).

Beleggingsrisico

De belangrijkste beleggingsrisico's betreffen het markt-, krediet- en liquiditeitsrisico.

Het marktrisico is uit te splitsen in renterisico, valutarisico en prijs(koers)risico. Marktrisico wordt gelopen op de verschillende beleggingsmarkten waarin het fonds op basis van het vastgestelde beleggingsbeleid actief is. De beheersing van het risico is geïntegreerd in het beleggingsproces. Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid kunnen zich voorts risico's manifesteren uit hoofde van de geselecteerde managers en bewaarbedrijven (zogeheten manager- en custodyrisico), en de juridische bepalingen omtrent gebruikte instrumenten en de uitvoeringsovereenkomst (juridisch risico). Het marktrisico wordt beheerst doordat met de vermogensbeheerder specifieke mandaten zijn afgesproken, welke in overeenstemming zijn met de beleidskaders en richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld door het bestuur. Het bestuur monitort de mate van naleving van deze mandaten. De marktposities worden periodiek aan het bestuur gerapporteerd.

Renterisico (S1)

Renterisico is het risico op een verandering in de dekkingsgraad als gevolg van een verandering van de rente. Zonder afdekking van dit risico stijgt de marktwaarde van de pensioenverplichtingen bij een rentedaling harder dan de marktwaarde van de beleggingen; bij een rentestijging doet zich het omgekeerde effect voor. Dat komt doordat de pensioenverplichtingen een veel langere gemiddelde looptijd hebben. Doorgaans geldt: hoe langer de looptijd, hoe rentegevoeliger.

Het beleid van het fonds is er op gericht om het renterisico voor 58% (op marktwaarde basis) af te dekken (2021: idem). Besloten is om voor de renteafdekking te sturen op marktwaarde basis, omdat het lastig is om een normportefeuille te creëren gebaseerd op van toepassing zijnde UFR-methodiek. Het fonds realiseert de afdekking van renterisico door langlopende (staats)obligaties te kopen en gebruik te maken van rentederivaten (interest rate swaps). Hiermee wordt de rentegevoeligheid van de beleggingsportefeuille meer in lijn gebracht met die van de pensioenverplichtingen. De werkelijke afdekking ultimo 2022 bedraagt 57% (2021: idem).

Het fonds maakt gebruik van rentederivaten om de renteafdekking efficiënt en tegen lage kosten uit te voeren. Het gebruik van derivaten brengt wel additionele risico's met zich mee zoals tegenpartij-, liquiditeit- en juridisch risico. Deze risico's zijn aan de hand van door het bestuur geformuleerde randvoorwaarden tot aanvaardbare niveaus gebracht en vormen onderdeel van de continue risicomonitoring.

De duration en het effect van de renteafdekking kan als volgt worden samengevat:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
    Waarde   Duration   Waarde   Duration
                 
Vastrentende waarden (vóór derivaten)   16.382   5,0   21.919   5,5
Vastrentende waarden (na derivaten)   16.382   26,0   21.545   25,1
Technische voorzieningen   25.934   21,6   35.544   24,0

De samenstelling van de vastrentende waarden naar resterende contractuele looptijd is als volgt:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Resterende looptijd < 1 jaar   2.206   13,4%   1.252   5,7%
Resterende looptijd > 1 jaar en < 5 jaar   6.185   37,7%   8.644   39,4%
Resterende looptijd > 5 jaar en < 10 jaar   4.432   27,1%   7.238   33,0%
Resterende looptijd > 10 jaar en < 15 jaar   567   3,5%   853   3,9%
Resterende looptijd > 15 jaar en < 20 jaar   715   4,4%   787   3,6%
Resterende looptijd > 20 jaar   2.277   13,9%   3.145   14,3%
Totaal   16.382   100,0%   21.919   100,0%

De presentatie van de vastrentende waarden in bovenstaande looptijden hangt samen met het lange termijn karakter van de investeringen van het fonds en het hiermee samenhangende beleid en ter vergelijking met de looptijden van de verplichtingen zoals in onderstaand overzicht weergegeven.

De resterende looptijd van de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds kan als volgt worden weergegeven:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Resterende looptijd < 1 jaar   563   2,2%   499   1,4%
Resterende looptijd > 1 jaar en < 5 jaar   2.219   8,6%   2.131   6,0%
Resterende looptijd > 5 jaar en < 10 jaar   3.052   11,8%   3.351   9,4%
Resterende looptijd > 10 jaar en < 15 jaar   3.368   13,0%   4.183   11,8%
Resterende looptijd > 15 jaar en < 20 jaar   3.467   13,4%   4.741   13,3%
Resterende looptijd > 20 jaar   13.265   51,0%   20.639   58,1%
Totaal   25.934   100,0%   35.544   100,0%

Risico zakelijke waarden (S2)

Het marktrisico is het risico dat de waarde van de beleggingen in de portefeuille verandert als gevolg van veranderingen in de desbetreffende marktprijzen. Het zakelijke waardenrisico heeft voornamelijk betrekking op de aandelen- en vastgoedportefeuilles van het fonds.

Het marktrisico wordt gemitigeerd door spreiding van de beleggingsportefeuille over verschillende categorieën, regio’s, landen en sectoren.

Om goede spreiding te borgen legt het fonds haar externe managers richtlijnen op waardoor ook binnen mandaten bovengenoemde spreiding gerealiseerd wordt. Controle op naleving van deze richtlijnen vindt plaats aan de hand onafhankelijke rapportages van de custodian van het fonds

Valutarisico (S3)

Valutarisico is het risico dat de waarde van de beleggingen die in vreemde valuta luiden verandert als gevolg van veranderingen in valutakoersen. Conform het beleid van het fonds zijn in 2022 de valutaposities van de normportefeuille in de Amerikaanse dollar, het Britse pond en de Japanse yen voor 75% (2021: USD 75%, GPB 100% en JPY 100%) afgedekt.

De valutapositie per 31 december 2022 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:

(bedragen x € 1.000.000)   Vastgoed   Aandelen   Vastrentende waarden vóór afdekking   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal voor afdekking   Valuta-derivaten afdekking   Netto positie
na afdekking
                                 
EUR   1.546   1.287   10.467   -3.859   1.254   10.695   8.615   19.310
                                 
GBP   0   448   304   1   12   765   639   1.404
JPY   0   1.383   0   1   0   1.384   1.098   2.482
USD   4   4.295   4.619   -16   352   9.254   6.937   16.191
Overige   0   2.139   992   -4   0   3.127   -16.992   -13.865
Totaal   1.550   9.552   16.382   -3.877   1.618   25.225   297   25.522

De valutapositie op 31 december 2021 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:

(bedragen x € 1.000.000)   Vastgoed   Aandelen   Vastrentende waarden vóór afdekking   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal voor afdekking   Valuta-derivaten afdekking   Netto positie
na afdekking
                                 
EUR   1.410   1.769   13.616   -529   1.498   17.764   -12.450   5.314
                                 
GBP   15   573   406   1   16   1.011   1.143   2.154
JPY   7   1.813   0   0   0   1.820   1.755   3.575
USD   47   6.982   6.583   11   485   14.108   10.000   24.108
Overige   15   3.012   1.314   -7   0   4.334   -375   3.959
Totaal   1.494   14.149   21.919   -524   1.999   39.037   73   39.110

Door de splitsing van de derivaten en de overige beleggingen is de cijfermatige opstelling over 2021 op basis van de huidige inzichten aangepast. 

Prijsrisico

Prijsrisico is het risico van waardewijzigingen door de ontwikkeling van marktprijzen. Het wordt veroorzaakt door factoren gerelateerd aan een individuele belegging, de uitgevende instelling of generieke factoren.

Het prijsrisico wordt gemitigeerd door diversificatie die onder meer is vastgelegd in de strategische beleggingsmix van het fonds. In aanvulling hierop maakt het fonds voor afdekking van het prijsrisico gebruik van afgeleide financiële instrumenten (derivaten), zoals opties en futures.

De segmentatie van de aandelen naar regio is als volgt: 

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Europa   2.238   23,4%   3.162   22,4%
Noord-Amerika   4.109   43,1%   6.667   47,1%
Pacific Azië   1.662   17,4%   2.166   15,3%
Australië en Nieuw Zeeland   201   2,1%   218   1,5%
Emerging Markets   1.342   14,0%   1.936   13,7%
Totaal   9.552   100,0%   14.149   100,0%

De segmentatie van de aandelen naar sectoren is als volgt:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Energie   440   4,6%   409   2,9%
Industrie   1.019   10,7%   1.490   10,5%
Technologie   1.726   18,1%   3.192   22,6%
Gezondheidszorg   1.318   13,8%   1.586   11,2%
Telecommunicatie   673   7,0%   1.239   8,8%
Nutsbedrijven   170   1,8%   282   2,0%
Basismaterialen   584   6,1%   867   6,1%
Financiële instellingen (w.o. banken en verzekeraars)   1.550   16,2%   2.004   14,2%
Handel   1.868   19,6%   2.844   20,1%
Diversen   205   2,1%   236   1,7%
Totaal   9.552   100,0%   14.149   100,0%

De segmentatie van de vastgoedbeleggingen naar aard van het vastgoed is als volgt:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Woningen   60   3,9%   784   52,6%
Particpaties in vastgoedmaatschappijen   1.490   96,1%   707   47,4%
Totaal   1.550   100,0%   1.491   100,0%

De segmentatie van vastgoed naar regio is als volgt:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Europa    1.380    89,0%   1.185   79,4%
Noord-Amerika    0    0,0%   46   3,1%
Pacific Azië    4    0,2%   16   1,1%
Australië en Nieuw Zeeland    0    0,0%   7   0,5%
Wereldwijd    166    10,8%   237   15,9%
Totaal   1.550   100,0%   1.491   100,0%

Grondstoffenrisico (S4)

Het fonds belegde in 2022 net als in 2021 niet in grondstoffen en loopt derhalve geen direct grondstoffenrisico.

Kredietrisico (S5)

Kredietrisico is het risico van financiële verliezen voor het fonds als gevolg van faillissement of andere vormen van betalingsonmacht van tegenpartijen waarop het fonds (potentiële) vorderingen heeft. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan partijen die obligatieleningen uitgeven, banken waar deposito's worden geplaatst, marktpartijen waarmee Over The Counter (OTC)-derivatenposities worden aangegaan en aan bijvoorbeeld herverzekeraars.

Het fonds belegt voor een groot deel van de vastrentende waarden in staatsobligaties met een hoge kredietwaardigheid.

Een voor beleggingsactiviteiten specifiek onderdeel van kredietrisico is het settlementrisico. Dit heeft betrekking op het risico dat partijen waarmee het fonds transacties is aangegaan niet meer in staat zijn hun tegenprestatie te verrichten waardoor het fonds financiële verliezen lijdt.

Beheersing van dit risico door het fonds vindt plaats door het stellen van limieten aan tegenpartijen op totaalniveau. Dat wil zeggen: met inachtneming van alle posities die een tegenpartij heeft jegens het fonds, het vragen van extra zekerheden zoals onderpand en dergelijke bij hypothecaire geldleningen en het uitlenen van effecten alsmede het hanteren van prudente verstrekkingsnormen bij hypothecaire geldleningen. Ter afdekking van het settlementrisico wordt door het fonds enkel belegd in markten waar een voldoende betrouwbaar clearing- en settlementsysteem functioneert. Voordat in nieuwe markten wordt belegd, wordt eerst onderzoek gedaan naar de waarborgen op dit gebied. Met betrekking tot niet-beursgenoteerde beleggingen, met name OTC-derivaten, wordt door het fonds enkel gewerkt met tegenpartijen waarmee ISDA/CSA-overeenkomsten zijn afgesloten, zodat posities van het fonds adequaat worden afgedekt door onderpand.

Het kredietrisico ten aanzien van de te ontvangen pensioenpremies is gespreid over een groot aantal verschillende werkgevers.

De samenstelling van de vastrentende waarden naar regio's kan als volgt worden samengevat:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Europa   10.774   65,8%   14.006   63,9%
Noord-Amerika   3.279   20,0%   4.802   21,9%
Pacific Azië   149   0,9%   195   0,9%
Australië en Nieuw Zeeland   32   0,2%   67   0,3%
Emerging Markets   1.920   11,7%   2.741   12,5%
Overige   228   1,4%   108   0,5%
Totaal   16.382   100,0%   21.919   100,0%

De kredietwaardigheid van veel marktpartijen wordt ook door rating agencies beoordeeld. De samenvatting van de vastrentende waarden op basis van de ratings zoals aan einde van het boekjaar is gepubliceerd door Standard & Poors, Moody’s en Fitch, is als volgt:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
AAA   8.308   50,7%   9.987   45,6%
AA   956   5,8%   1.881   8,6%
A   1.124   6,9%   1.702   7,8%
BBB   2.284   13,9%   3.575   16,3%
<BBB   3.193   19,5%   4.474   20,4%
Geen rating   517   3,2%   300   1,3%
Totaal   16.382   100,0%   21.919   100,0%

De beleggingen met rating < BBB en zonder rating betreffen met name beleggingen in hoogrentende leningen.

Verzekeringstechnische risico's (actuariële risico's, S6)

Het verzekeringstechnisch risico is het risico dat voortvloeit uit mogelijke afwijkingen van actuariële inschattingen die worden gebruikt voor de vaststelling van de technische voorzieningen en de hoogte van de premie. De belangrijkste actuariële risico's zijn de risico's van langleven, overlijden (kortleven), arbeidsongeschiktheid en het toeslagrisico.

Gezien de omvang van het fonds wordt het grootste deel van de verzekeringstechnische risico’s niet herverzekerd. Uitzonderingen hierop zijn de Anw- en WIA-excedentregelingen, die wel volledig zijn herverzekerd. Bij deze verzekeringen geldt geen winstdeling.

Langlevenrisico
Het langlevenrisico is het belangrijkste verzekeringstechnische risico. Langlevenrisico is het risico dat deelnemers langer blijven leven dan gemiddeld verondersteld wordt bij de bepaling van de voorziening pensioenverplichtingen. Als gevolg hiervan volstaat de opbouw van het pensioenvermogen niet voor de uitkering van de pensioenverplichting. Door toepassing van prognosetafels met adequate correcties voor ervaringssterfte is het langlevenrisico nagenoeg geheel verdisconteerd in de waardering van de pensioenverplichtingen. 

Overlijdensrisico
Het overlijdensrisico betekent dat het fonds in geval van overlijden mogelijk een nabestaandenpensioen moet toekennen waarvoor door het fonds geen voorzieningen zijn getroffen.

Arbeidsongeschiktheidsrisico
Het arbeidsongeschiktheidsrisico betreft het risico dat het fonds voorzieningen moet treffen voor premievrijstelling bij invaliditeit en het toekennen van een arbeidsongeschiktheidspensioen ('schadereserve'). Voor dit risico wordt jaarlijks een risicopremie in rekening gebracht. Het verschil tussen de risicopremie en de werkelijke kosten wordt verwerkt via het resultaat. De actuariële uitgangspunten voor de risicopremie worden periodiek herzien.

Toeslagrisico
Het toeslagrisico omvat het risico dat de ambitie van het bestuur om toeslagen op pensioen toe te kennen in relatie tot de algemene prijsontwikkeling niet kan worden gerealiseerd. De mate waarin dit kan worden gerealiseerd is afhankelijk van de ontwikkelingen in de rente, beleggingsrendementen, looninflatie en demografie (beleggings- en actuariële resultaten) echter, afhankelijk van de hoogte van de dekkingsgraad van het fonds.

Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat de toeslagverlening voorwaardelijk is.

Liquiditeitsrisico (S7)

Liquiditeitsrisico is het risico dat beleggingen niet tijdig en/of niet tegen een aanvaardbare prijs kunnen worden omgezet in liquide middelen, waardoor het fonds op korte termijn niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. Waar de overige risicocomponenten vooral de langere termijn betreffen (solvabiliteit), gaat het hierbij om de kortere termijn. Dit risico kan worden beheerst door in het strategische en tactische beleggingsbeleid voldoende ruimte aan te houden voor de liquiditeitsposities. Er moet eveneens rekening worden gehouden met de directe beleggingsopbrengsten en andere inkomsten zoals premies.

Het fonds heeft meer liquiditeiten en snel liquide te maken instrumenten beschikbaar dan in een extreem scenario noodzakelijk is. Het liquiditeitsrisico voor het fonds is derhalve beperkt. Dit is onder meer bereikt door effecten zoals obligaties van Nederland en Duitsland te gebruiken als onderpand voor de rentederivaten, in plaats van 'cash'. Het fonds zal door deze keuze niet snel geconfronteerd worden met een onverwachte vraag naar liquide middelen door een extreme beweging in de rente. Het liquiditeitsrisico vanuit valutaderivaten is gespreid doordat daar gekozen is voor een dakpanstructuur. Maandelijks loopt éénderde deel van de valuta-afdekking af, zodat het afrekenen van de waardeontwikkeling van de contracten in de tijd is gespreid.

Het fonds belegt voor € 24.665 in beleggingen met een directe marktnotering, die snel liquide te maken zijn. De aanwezige liquiditeit is derhalve meer dan voldoende om in de mogelijke liquiditeitsvraag in een extreem scenario te kunnen voorzien.

Tenslotte zijn de premie-inkomsten hoger dan de pensioenuitkeringen. Kas in- en uitstromen uit de reguliere bedrijfsvoering zijn bekend: per saldo is het fonds netto ontvanger van liquide middelen.

In het ultieme geval dat het fonds onmiddellijk en onvoorzien meer liquiditeiten nodig zou hebben dan beschikbaar is of op korte termijn vrijgemaakt kan worden, is een krediet faciliteit van € 50 beschikbaar bij de custodian.

Concentratierisico (S8)

Concentraties kunnen ertoe leiden dat het fonds bij grote veranderingen in bijvoorbeeld de waardering (marktrisico) of de financiële positie van een tegenpartij (kredietrisico) grote (veelal financiële) gevolgen hiervan ondervindt.

Concentratierisico's kunnen optreden bij een concentratie in de beleggingsportefeuille in producten, regio's of landen, economische sectoren of tegenpartijen. Naast concentraties in de beleggingsportefeuille kan ook sprake zijn van concentraties in de verplichtingen en de uitvoering.

Om concentraties in de beleggingsportefeuille te beheersen maakt het bestuur gebruik van diversificatie en limieten voor beleggen in landen, regio’s, sectoren en tegenpartijen. Deze uitgangspunten zijn door het fonds vastgesteld op basis van een ALM-studie en zijn vastgelegd in de contractuele afspraken met de vermogensbeheerders. Het bestuur monitort op maandelijkse basis de naleving hiervan op basis van de rapportages van de risicomanager van het fonds en van de vermogensbeheerder.

Er zijn enkele grote posten binnen de vastrentende waarden, met overwegend een AAA rating. Deze posten hebben een zeer beperkt risico. Het betreft de volgende posities:

(bedragen x € 1.000.000)   31-12-2022       31-12-2021    
                 
Duitse Staatsobligaties   3.320   9,2%   4.749   11,0%
Nederlandse Staatsobligaties   3.221   8,9%   4.981   11,5%
Stichting PVF Particuliere Hypotheekfonds   1.303   3,6%   1.547   3,6%
Totaal   7.844   21,7%   11.277   26,1%

Binnen de pensioenverplichtingen van het fonds kan de demografische opbouw van de deelnemers een concentratierisico vormen. Gegeven de aard is dit risico niet te beïnvloeden.

Zonder weging naar technische voorziening is de verhouding tussen mannen en vrouwen in het fonds ultimo 2022 gelijk aan 79%/21% (2021: 79%/21%). De gemiddelde leeftijd bedraagt 52,6 jaar (2021: 51,6 jaar), waarbij sprake is van een gelijkmatige leeftijdsspreiding. Indien gewogen wordt naar technische voorziening is de verhouding tussen mannen en vrouwen in het fonds 87%/13% (2021: 88%/12%). De gemiddelde leeftijd bedraagt 57,4 jaar (2021: 55,9 jaar).

Operationeel risico (S9)

Operationeel risico is het risico van een onjuiste afwikkeling van transacties, fouten in de verwerking van gegevens, het verloren gaan van informatie, fraude en dergelijke. Deze risico's worden door het fonds beheerst door het stellen van hoge kwaliteitseisen aan de organisaties die bij de uitvoering zijn betrokken.

De beleggingsportefeuille wordt beheerd door Achmea Investment Management en de feitelijke uitvoering is ondergebracht bij 24 vermogensbeheerders. Met al deze partijen zijn overeenkomsten en service level agreement (SLA) gesloten. De afhankelijkheid van deze partijen wordt beheerst doordat de bewaring van de stukken uit de portefeuille is ondergebracht bij een custodian, Northern Trust.

De pensioenuitvoering is uitbesteed aan pensioenuitvoerder TKP. Met TKP is een uitbestedingsovereenkomst en een service level agreement (SLA) gesloten.

Het bestuur beoordeelt periodiek de kwaliteit van de uitvoering van het vermogensbeheer en pensioenbeheer door middel van performancerapportages (alleen vermogensbeheerders), SLA-rapportages en onafhankelijk getoetste interne beheersingsrapportages (ISAE 3402-rapportages).

Aangezien hiermee sprake is van adequate beheersing van de operationele risico's worden door het fonds hiervoor geen buffers aangehouden in de solvabiliteitstoets.

Actief risico (S10)

De mate waarin het actieve beleggingsbeleid bijdraagt aan het totale risico van de beleggingen is mede afhankelijk van de correlatie die verondersteld wordt te bestaan tussen het benchmark rendement en het extra rendement als gevolg van actief beheer. Het actief beheer risico is bij het fonds beperkt, maar is toch meegenomen in de bepaling van het vereist eigen vermogen.

Systeemrisico

Systeemrisico betreft het risico dat het mondiale financiële systeem (de internationale markten) niet langer naar behoren functioneert, waardoor beleggingen van het fonds niet langer verhandelbaar zijn en zelfs, al dan niet tijdelijk, hun waarde kunnen verliezen. Net als voor andere marktpartijen, is dit risico voor het fonds niet beheersbaar. Het systeemrisico maakt geen onderdeel uit van de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets.

Derivaten

Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid wordt gebruik gemaakt van financiële derivaten. Hoofdregel die hierbij geldt, is dat derivaten uitsluitend worden gebruikt voor zover dit passend is binnen het beleggingsbeleid van het fonds. Derivaten worden hoofdzakelijk gebruikt om de hiervoor vermelde vormen van marktrisico zo veel mogelijk af te dekken.

Derivaten hebben als voornaamste risico's het kredietrisico en valutarisico. Dit risico wordt beperkt door alleen transacties aan te gaan met goed te boek staande partijen en door zoveel mogelijk te werken met onderpand. Gebruik kan worden gemaakt van onder meer de volgende instrumenten:

  • Futures: dit zijn standaard beursgenoteerde instrumenten waarmee snel posities kunnen worden gewijzigd. Futures worden gebruikt voor het tactische beleggingsbeleid. Tactisch beleggingsbeleid is slechts zeer beperkt mogelijk binnen de grenzen van het strategische beleggingsbeleid.
  • Valutatermijncontracten: dit zijn met individuele banken afgesloten contracten waarbij de verplichting wordt aangegaan tot het verkopen van een valuta en de aankoop van een andere valuta, tegen een vooraf vastgestelde prijs en op een vooraf vastgestelde datum. Door middel van valutatermijncontracten worden valutarisico's afgedekt.
  • Swaps: dit betreft met individuele banken afgesloten contracten waarbij de verplichting wordt aangegaan tot het uitwisselen van rentebetalingen over een nominale hoofdsom. Door middel van swaps kan het fonds de rentegevoeligheid van de portefeuille beïnvloeden. 

Onderstaande tabellen geven een samenvatting van de derivatenposities op achtereenvolgens 31 december 2022 en 31 december 2021. 

2022                    
(bedragen x € 1.000.000)   Gemiddelde looptijd   Contract-
omvang
  Saldo
waarde
  Positieve
waarde
  Negatieve
waarde
                     
Rentederivaten   0 – 50 jaar   12.670   -3.875   3.307   7.182
Valutaderivaten   < 1 jaar   11.777   297   361   64
Overige derivaten   0 - 40 jaar   329   -2   2   4
Totaal       24.776   -3.580   3.670   7.250
2021                    
(bedragen x € 1.000.000)   Gemiddelde looptijd   Contract-
omvang
  Saldo
waarde
  Positieve
waarde
  Negatieve
waarde
                     
Rentederivaten   0 – 50 jaar   13.824   -375   2.687   3.062
Valutaderivaten   < 1 jaar   15.501   -73   72   145
Overige derivaten   0 - 40 jaar   -3   -4   7   11
Totaal       29.322   -452   2.766   3.218

De ontvangen zekerheden van € 194 (2021: € 515) omvatten voor € 178 Duitse, Franse, Nederlandse en staatsobligaties die een AA- of AAA-rating hebben conform de met tegenpartijen gesloten overeenkomsten (ISDA/CSA). 

Daarnaast zijn er nog ontvangen zekerheden van € 16 in de vorm van cash.

De gestelde zekerheden van € -4.596 (2021: € -1.793) omvatten voor € -1.953 Duitse en Nederlandse staatsobligaties en  die een AAA-rating hebben conform de met tegenpartijen gesloten overeenkomsten (ISDA/CSA).

Daarnaast zijn er nog gestelde zekerheden van € -2.643 in de vorm van cash.

19.8 Niet in de balans opgenomen activa en verplichtingen

Langlopende contractuele verplichtingen

Het fonds heeft een uitbestedingsovereenkomst gesloten met TKP Pensioen B.V. Het betreft een langlopende overeenkomst inzake pensioenadministratie en bestuursondersteuning voor een periode van twee jaar vanaf 1 januari 2023 met een opzegtermijn van één jaar. De vergoeding voor 2022 bedraagt € 16.

Het fonds heeft in 2020 een risicoherverzekering ANW-Hiaat afgesloten met Zwitserleven. Het betreft een langlopende overeenkomst voor een periode van vijf jaar vanaf 1 januari 2021. De premie voor 2022 bedraagt € 2 (2021: € 2).

Ultimo 2022 bedroegen de investeringstoezeggingen in vastgoed en de overige beleggingen in totaal € 1.209 (2021: € 1.477). Het gaat om een toezegging van € 543 bij De Munt Hypotheken, € 220 bij ILX, € 250 bij Luxcara, CBRE€ 26 bij CBRE en € 170 bij SAREF.

Het fonds heeft kantoorruimte gehuurd voor de huisvesting van het bestuursbureau. Met de verhuurder is een huurcontract gesloten met een looptijd tot en met 31 december 2027. De totale verplichting voor de resterende looptijd van het contract bedraagt € 1.

Verstrekte zekerheden en garanties

Het fonds heeft een bankgarantie afgegeven van € 49.781 (x € 1,-) aan de verhuurder van het kantoor aan het Prinses Margrietplantsoen 89 in Den Haag.

19.9 Verbonden partijen

Identiteit van verbonden partijen

Er is sprake van een relatie tussen het fonds en het bestuur van het fonds.

Transacties met (voormalige) bestuurders

Inzake de beloning van bestuurders wordt verwezen naar de toelichting bij de pensioenuitvoeringskosten. Het fonds heeft geen leningen verstrekt aan de (voormalige) bestuurders. Ook heeft het fonds geen vorderingen op de (voormalige) bestuurders.

Overige transacties met werkgevers

Het fonds heeft een Uitvoeringsreglement afgesloten met de verplicht aangesloten werkgevers en een Uitvoeringsovereenkomst met de vrijwillig aangesloten werkgevers.

Er wordt door het fonds ultimo boekjaar niet belegd in deelnemende partijen.

Deelname in de pensioenregeling

De bestuurders van het fonds nemen niet deel in de pensioenregeling van het fonds. De medewerkers van het Bestuursbureau nemen deel aan de pensioenregeling.

19.10 Toelichting op de staat van baten en lasten

(9) Premiebijdrage voor risico pensioenfonds

​(9) Premiebijdrage voor risico pensioenfonds

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Verplichte bijdrage   1.265   1.150
Aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering   30   27
Dotatie/onttrekking Premie-egalisatie depot   60   -46
Overige   -21   -2
Totaal   1.334   1.129

De premieopbrengsten zijn niet gesplitst naar een werkgevers- en een werknemersdeel, omdat de totale premie volgens overeenkomst aan de werkgevers in rekening wordt gebracht. Een deel van de premie wordt door de werkgevers ingehouden op het salaris van de werknemers.

De premiebijdragen zijn gebaseerd op een doorsneepremie. Deze zogenaamde combiheffing wordt op basis van vooraf bepaalde verdeelsleutels toegerekend aan de diverse regelingen.

De doorsneepremie wordt in het najaar van enig jaar vastgesteld voor het jaar daaropvolgend. Deze vaststelling vindt plaats op basis van de dan beschikbare gegevens en dan geldende actuariële grondslagen. Voor de berekening van de gedempte kostendekkende premie is 30 september als referentiepunt gebruikt.

De premie voor het Goederenvervoer en Kraanverhuur bedraagt 30% in 2022, de deelnemersbijdrage is 10,16%. In het Besloten Busvervoer bedraagt de premie 30% in 2022, de deelnemersbijdrage is 12,19% van de pensioengrondslag. De premie voor de sector Taxivervoer bedraagt in 2022 30%, de deelnemersbijdrage is 12,25% van de pensioengrondslag. De premie voor de sector Orsima is 30%, de deelnemersbijdrage is 12%. De premiepercentages zijn niet aangepast ten opzichte van 2021.

Kostendekkende, gedempte en feitelijke premie

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Kostendekkende premie   1.832   1.804
Gedempte premie   1.254   1.115
Feitelijke premie   1.355   1.131

Samenstelling kostendekkende premie

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Actuarieel benodigd voor pensioenopbouw   1.567   1.544
Opslag voor instandhouding van het vereist eigen vermogen   253   248
Opslag voor uitvoeringskosten   12   12
Totaal   1.832   1.804

De aan het boekjaar toe te rekenen feitelijke premie is als bate in de staat van baten en lasten verantwoord. 

Samenstelling feitelijke premie

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Verschuldigde premie   1.295   1.177
Premie uit premie egalisatiedepot voor toekomstige opbouw   60   -46
Totaal   1.355   1.131

Samenstelling gedempte premie

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Actuarieel benodigd voor onvoorwaardelijke onderdelen pensioenopbouw   1.068   950
Opslag voor in stand houden c.q. op peil brengen van vereist eigen vermogen   172   153
Opslag voor uitvoeringskosten   14   12
Totaal   1.254   1.115

Het verschil tussen de gedempte kostendekkende premie en de actuariële premie uit de analyse van het resultaat is voornamelijk het gevolg van dat de gedempte kostendekkende toetspremie op basis van de gemiddelde discontovoet wordt berekend. Dit is de gemiddelde RTS per 30 september over de aan het boekjaar voorafgaande 120 maanden.

(10) Beleggingsresultaten risico pensioenfonds

​(10) Beleggingsresultaten risico pensioenfonds

Beleggingsresultaten risico pensioenfonds 2022

(bedragen x € 1.000.000)   Directe beleggings-
opbrengsten
  Indirecte beleggings-
opbrengsten
  Kosten vermogens-beheer   Totaal
                 
Vastgoed beleggingen   0   17   -2   15
Aandelen   304   -1.794   -37   -1.527
Vastrentende waarden   521   -3.199   -35   -2.713
Derivaten   104   -7.365   -1   -7.262
Overige beleggingen   17   26   -7   36
Totaal   946   -12.315   -82   -11.451

De kosten van vermogensbeheer omvatten de kosten die door de custodian, vermogensbeheerder(s) en overige dienstverleners direct bij het fonds in rekening zijn gebracht. Deze kosten bestaan voor € 72 uit vaste vergoedingen inzake management fees. De overige vermogensbeheerkosten omvatten de kosten voor fiduciair beheer € 8, bewaarloon € 3, bestuur- en bestuursbureaukosten € 3, toezicht- en advieskosten vermogensbeheer € 3 en overig € 7.

De transactiekosten van het vermogensbeheer zijn inbegrepen in de indirecte beleggingsopbrengsten. Voor zover transactiekosten niet precies bepaald kunnen worden is een schatting daarvoor opgenomen. Deze opmerkingen gelden ook voor de kosten vermogensbeheer die binnen de beleggingsfondsen worden verrekend (€ 14).

Beleggingsresultaten risico pensioenfonds 2021

(bedragen x € 1.000.000)   Directe beleggings-
opbrengsten
  Indirecte beleggings-
opbrengsten
  Kosten vermogens-beheer   Totaal
                 
Vastgoed beleggingen   3   126   -1   128
Aandelen   275   2.551   -41   2.785
Vastrentende waarden   578   -100   -38   440
Derivaten   116   -3.268   -5   -3.157
Overige beleggingen   6   41   -1   46
Totaal   978   -650   -86   242

(11) Pensioenuitkeringen

​(11) Pensioenuitkeringen

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Ouderdomspensioen   407   361
Prepensioen   7   8
Partnerpensioen   83   74
Wezenpensioen   3   2
Arbeidsongeschiktheidspensioen   23   22
Afkopen   15   14
Totaal   538   481

De post 'afkopen' betreft de afkoop van pensioenen die individueel lager zijn dan € 520,35 (2021: € 503,24) per jaar. Bedragen in deze Jaarrekening zijn doorgaans x € 1 miljoen, maar de hier genoemde afkoopbedragen zijn x € 1,-. 

(12) Pensioenuitvoeringskosten

​(12) Pensioenuitvoeringskosten

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Bestuurskosten   1   1
Administratiekostenvergoeding   16   15
Contributies en bijdragen   1   1
Dwangsommen en boetes   0   0
Personeelskosten   4   3
Overige kosten   4   5
Algemene kosten toe te rekenen aan beleggingsrendement   -4   -3
Totaal   22   22

Kosten uitvoering

De kosten van de uitvoering van de pensioenregeling bestaan uit de kosten van de werkzaamheden van TKP aan wie de uitvoering van de regeling is uitbesteed, de kosten van het bestuur, kosten van het Bestuursbureau en de kosten van het toezicht.

Bezoldiging bestuurders

De bezoldiging voor de (voormalige) bestuurders (x € 1.000) tezamen bedraagt € 630 (2021: € 703). Er wordt per bestuurder een vast bedrag aan vacatiegeld toegekend. Aan betrokkenen zijn geen leningen, voorschotten of garanties verstrekt.

Accountantshonoraria

De onafhankelijke accountant is PricewaterhouseCoopers Accountants N.V. 
Op grond van artikel 382a Titel 9 Boek 2 BW is de vermelding van de honoraria van de onafhankelijke accountant als volgt weergeven (x € 1.000):

2022 (bedragen x € 1.000)   Onafhankelijke accountant
     
Controle van de jaarrekening   215
Totaal   215
2021 (bedragen x € 1.000)   Onafhankelijke accountant
     
Controle van de jaarrekening   204
Totaal   204

Bovenstaande honoraria betreffen de werkzaamheden die bij de stichting zijn uitgevoerd door accountantsorganisaties en externe accountants zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 Wta (Wet toezicht accountantsorganisaties) en de in rekening gebrachte honoraria van het gehele netwerk waartoe de accountantsorganisatie behoort. Deze honoraria hebben betrekking op het onderzoek van de jaarrekening over het boekjaar 2022 en 2021, ongeacht of de werkzaamheden reeds gedurende het boekjaar zijn verricht.

Personeelskosten Bestuursbureau

(bedragen x € 1.000)   2022   2021
         
Salarissen medewerkers   -255   2.208
Pensioenlasten   0   587
Sociale lasten   255   241
Totaal   0   3.036

Het aantal personeelsleden in dienst van het fonds is 22 (2021: 22). Er zijn geen personeelsleden in het buitenland werkzaam. Daarnaast worden beheeractiviteiten op basis van een uitvoeringsovereenkomst verricht door personeel in dienst van de pensioenuitvoerder dan wel de vermogensbeheerder.

De personeelsleden van het bestuursbureau voeren werkzaamheden uit in het kader van pensioenuitvoering en vermogensbeheeruitvoering. Van de bovenstaande personeelskosten is € 1,9 ofwel 56,3% (2021: € 1,7 ofwel 55,1%) toegerekend aan de kosten van het vermogensbeheer. De resterende personeelskosten zijn opgenomen onder de pensioenuitvoeringskosten.

Algemene kosten toegewezen aan vermogensbeheer

In het kader van de aanbevelingen t.a.v. de kostenbehandeling van de Pensioenfederatie wordt een deel van de totale kosten toegerekend aan vermogensbeheer. Deze post bedraagt in 2022 € 3,8 (2021: € 3,5). De kosten bestuursbureau worden voor 56,3% toegerekend aan vermogensbeheer en de kosten voor bestuur en commissies, externe adviseurs en toezichthouders worden voor 50% toegerekend. De actuariële adviesdiensten worden voor 25% toegerekend aan vermogensbeheer, de overige posten voor 50%. Deze kosten maken in de jaarrekening onderdeel uit van de pensioenuitvoeringskosten.

(14) Saldo herverzekering

​(13) Saldo herverzekering

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Premie herverzekering   2   2
Uitkeringen uit hoofde van herverzekeringen   -2   -1
Totaal   0   1

(15) Saldo overdracht van rechten

​(14) Saldo overdracht van rechten

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Inkomende waardeovernames   -44   -12
Inkomende waardeovernames klein pensioen   -60   -76
Inkomende collectieve waardeovernames   -9   -1.236
Uitgaande waardeoverdrachten   84   24
Uitgaande waardeoverdrachten klein pensioen   260   32
Totaal   231   -1.268

Waardeoverdracht betreft de ontvangst van of overdracht aan pensioenfonds of pensioenverzekeraar van respectievelijk de vorige of nieuwe werkgever van de contante waarde van premievrije pensioenaanspraken van deelnemers, die tot de ontslagdatum zijn opgebouwd.

De inkomende collectieve waardeovernames in 2021 (€ -1.236) heeft betrekking op de collectieve waardeoverdracht van pensioenfonds TNT Express. In 2022 is deze collectieve waardeoverdracht volledig afgerond waardoor een saldo van € -9 is gerealiseerd.

(16) Overige lasten

​(15) Overige lasten

(bedragen x € 1.000.000)   2022   2021
         
Mutatie voorziening dubieuze debiteuren   6   -1
Overige   1   7
Totaal   7   6

19.11 Gebeurtenissen na balansdatum

Aanpassing vaststelling gemiddelde discontovoet

De technische voorzieningen zijn vastgesteld op basis van de gemiddelde discontovoet van DNB per 31 december 2022 en de factoren zoals genoemd in de grondslagen bij de jaarrekening. In 2020 heeft DNB toegelicht dat de de gemiddelde discontovoet de komende jaren in vier stappen wordt gewijzigd. De eerste twee stappen zijn verwerkt in 2021 en 2022. DNB heeft eind 2022 aangegeven dat de nieuwe UFR-methode zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022, per 1 januari 2023 ineens wordt ingevoerd. Deze wijziging wordt in boekjaar 2023 verantwoord. Het toepassen van de laatste stap van de nieuwe UFR-methode heeft per 1 januari 2023 een effect van ongeveer 0,7%-punt negatief op de dekkingsgraad van het pensioenfonds.

Den Haag, 20 april 2023

Het bestuur 

Dhr. L.J.H. Ceelen 
Dhr. F. Veltink

Mw. I.V. Hermans
Mw. A.J. Stevens
Mw. W. Westerborg
Dhr. P.A. Stork
Mw. M. Kisoen
Dhr. L.C.A. Scheepens
Mw. J.G.E. van Leeuwen

Het toezichthoudend orgaan

Dhr. M.G. Jekel 

Mw. G. van Vollenhoven
Dhr. R. Schreur