Financiële ontwikkelingen
Financiële positie van het pensioenfonds
De dekkingsgraad wordt vastgesteld als het pensioenvermogen gedeeld door de totale technische voorzieningen. De dekkingsgraad op basis van de door DNB vastgestelde rentetermijnstructuur is op 31 december 2022 uitgekomen op 110,3%. Eind 2021 was de dekkingsgraad 111,2%. Bij de kleine afname van de dekkingsgraad in 2022 moet in acht worden genomen dat hierin twee indexaties zijn verwerkt. Niet alleen de indexatie met 3,24% per 1 juli 2022, maar ook de indexatie met 3,09% per 1 januari 2023 is al in de eindejaarsdekkingsgraad 2022 verdisconteerd.
De toetsingsgrootheid in het Financieel Toetsingskader (FTK) is de beleidsdekkingsgraad. Dit is de gemiddelde dekkingsgraad van de laatste 12 maanden. In 2022 is de beleidsdekkingsgraad gestegen van 107,3% naar 111,1%.
Het pensioenvermogen wordt berekend als het eigen vermogen (ook wel genoemd: het weerstandsvermogen) vermeerderd met de technische voorzieningen. Het pensioenvermogen op 31 december 2022 bedroeg € 28,6 miljard (eind 2021: € 39,5 miljard). De technische voorzieningen (ook wel genoemd: de voorziening pensioenverplichtingen) bedroegen eind 2022: € 25,9 miljard (eind 2021: € 35,5 miljard). Het pensioenvermogen gedeeld door de technische voorzieningen leidt (als niet de afgeronde maar de exacte cijfers worden gebruikt) tot eerdergenoemde dekkingsgraad van 110,3% (eind 2021: 111,2%).
Bij de vaststelling van de voorziening pensioenverplichtingen worden schattingselementen gehanteerd. Deze schattingselementen zijn gebaseerd op veronderstellingen ten aanzien van bijvoorbeeld sterftekansen, rendementen en kosten. Gedurende het boekjaar wijken de werkelijke ontwikkelingen onvermijdelijk af van deze veronderstellingen, waardoor er ten opzichte van de veronderstellingen winst of verlies wordt gerealiseerd.
Onder het FTK worden twee toetsingsgrenzen gedefinieerd:
Het ‘minimaal vereist vermogen’ is gelijk aan de voorziening pensioenverplichtingen verhoogd met een opslag (‘minimaal vereist eigen vermogen’) voor algemene risico’s. Op 20 mei 2019 heeft het Actuarieel Genootschap een leidraad gepubliceerd, waarmee pensioenfondsen een eenduidige methode wordt aangereikt inzake de vaststelling van het minimaal vereist eigen vermogen. De vaststelling van het minimaal vereist vermogen van Pensioenfonds Vervoer is gebaseerd op deze leidraad. De uitkomst als percentage van de technische voorzieningen bedroeg eind 2022: 104,4% (eind 2021: 104,3%).
Op 31 december 2022 was de aanwezige beleidsdekkingsgraad 111,1% (eind 2021: 107,3%). Dat was hoger dan de minimaal vereiste 104,4% (eind 2021: 104,3%). Er is dus geen sprake van een ‘dekkingstekort’.
Het ‘vereist vermogen’ is gelijk aan de voorziening pensioenverplichtingen, verhoogd met een zodanige opslag (‘vereist eigen vermogen’), dat de kans maximaal 2,5% is dat de aanwezige dekkingsgraad van het pensioenfonds in een periode van één jaar lager wordt dan 100%. Voor de vaststelling van deze opslag is door DNB een standaardtoets ontwikkeld. Deze standaardtoets wordt ook bij Pensioenfonds Vervoer toegepast. Met name het renterisico en het zakelijke waarden risico zijn bepalend voor de uitkomst van deze toets.
Het vereist vermogen op basis van de strategische portefeuille is leidend. Deze bedroeg op 31 december 2022 18,2% (2021: 16,2%) van de nominale pensioenverplichtingen. De vereiste dekkingsgraad van eind 2022 kwam daarmee uit op 118,2% (eind 2021: 116,2%). De aanwezige beleidsdekkingsgraad van 111,1% (eind 2021: 107,3%) was lager dan de vereiste dekkingsgraad, zodat sprake is van een ‘reservetekort’.
Voor de volledigheid vermelden we het vereist vermogen tevens op basis van de feitelijke beleggingsmix. De uitkomst op 31 december 2022 is dan 119,6% (eind 2021: 117,8%). Het verschil met het vereist vermogen op basis van het strategische beleggingsbeleid komt met name door een hogere allocatie naar zakelijke waarden dan strategisch beoogd.
Herstelplan
Als de dekkingsgraad van het pensioenfonds lager is dan de vereiste dekkingsgraad, moet een herstelplan worden opgesteld waaruit blijkt hoe het fonds het vermogen binnen 10 jaar op het vereiste niveau brengt. Jaarlijks wordt dit plan geëvalueerd en geactualiseerd.
In 2015 heeft het pensioenfonds een herstelplan ingediend, op basis van de eisen van het FTK. Sindsdien is het plan telkens per 1 januari geactualiseerd. De daadwerkelijke dekkingsgraad per 31 december 2022 (110,3%) bleek lager dan de eerder - vanuit het per 1 januari 2022 geactualiseerde herstelplan - geprognosticeerde dekkingsgraad per deze datum (113,2%). Dit heeft echter geen praktische consequenties.
Op grond van het per 1 januari 2023 geactualiseerde herstelplan, herstelt het pensioenfonds ruim binnen de wettelijk vereiste herstelperiode van 10 jaar, zonder dat aanvullende maatregelen (bijvoorbeeld kortingen) noodzakelijk zijn. Op het moment van schrijven heeft DNB nog niet gereageerd op het herstelplan 2023.
Ontwikkeling dekkingsgraad
Onderstaande tabel geeft inzicht in het daadwerkelijke verloop van de dekkingsgraad in 2022 ten opzichte van het verloop zoals geschat in het herstelplan dat in dat jaar van toepassing was.
Verloop dekkingsgraad in 2022
| Verloop dekkingsgraad in 2022 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Feitelijk | Herstelplan | Verschil | |||
| Startdekkingsgraad in herstelplan (op basis van standen ultimo 2022) | 111,2% | 111,2% | 0,0% | ||
| Verandering van de dekkingsgraad als gevolg van: | |||||
| Nieuwe aanspraken | -1,1% | -1,1% | 0,0% | ||
| Gedane uitkeringen | 0,1% | 0,2% | 0,0% | ||
| Toeslagverlening | -5,7% | 0,0% | -6,7% | ||
| Wijziging rente (RTS) | 58,1% | 0,0% | 58,1% | ||
| Beleggingsresultaat | -31,8% | 3,0% | -34,8% | ||
| Overige oorzaken (o.a. wijzigingen grondslagen) | -20,5% | -0,1% | -19,5% | ||
| Dekkingsgraad per 31 december 2022 | 110,3% | 113,2% | -2,9% |
Kritische dekkingsgraad
Het bestuur kijkt ook naar de ‘kritische dekkingsgraad’. Deze wordt soms aangeduid als de ‘kritieke dekkingsgraad’. Dit is de laagste UFR-dekkingsgraad waarbij het voor het pensioenfonds nog net mogelijk is om binnen tien jaar (tijdelijk: binnen 12 jaar) te herstellen. Voor de berekening van de kritische dekkingsgraad wordt gebruik gemaakt van de maximale parameters zoals vastgesteld door de Commissie Parameters.
Op 1 januari 2022 was de kritische dekkingsgraad op basis van maximale parameters: 92,7% (op 1 januari 2021: 86,9%). De kritische dekkingsgraad wordt normaliter maar eenmaal per jaar berekend, namelijk bij het opstellen van het herstelplan. Omdat DNB nog geen reactie heeft kunnen geven op het laatst ingediende herstelplan kan de kritische dekkingsgraad op 1 januari 2023 nog niet worden gemeld. De betekenis van de kritische dekkingsgraad is verder beperkt. De uitkomst is bijvoorbeeld afhankelijk van de renteontwikkeling en kan daarmee van dag tot dag verschillen. De kritische dekkingsgraad is gedurende het jaar wel een indicator voor de te bepalen kritische dekkingsgraad op de volgende 1 januari. Daarnaast is de kritische dekkingsgraad belangrijk in het kader van het financieel crisisplan zoals dat is opgenomen in de Abtn.
Premiedekkingsgraad
De premiedekkingsgraad geeft aan of het eigen vermogen stijgt of daalt door de premiebetalingen. Bij een premiedekkingsgraad van 100% is de ontvangen premie gelijk aan de kosten van de inkoop van een jaar pensioenopbouw op basis van de rentetermijnstructuur (inclusief UFR) en verandert het eigen vermogen (in euro’s) niet. Is deze lager dan 100% dan daalt het eigen vermogen door de premiebetalingen. Als deze hoger is dan 100% stijgt het eigen vermogen door de premiebetalingen.
De ex-post premiedekkingsgraad bedraagt 85,7%. Dit is hoger dan de premiedekkingsgraad in 2021 (72,4%), maar lager dan de actuele dekkingsgraad op 1 januari 2022 (111,2%). De premie heeft daarmee niet bijgedragen aan herstel van de dekkingsgraad in 2022. De dekkingsgraad is hierdoor in 2022 met 1,1%-punt afgenomen.
Nieuw premiebeleid
Met ingang van 1 januari 2023 is het premiebeleid van het fonds gewijzigd. De kostendekkendheid van de premie wordt getoetst op basis van het toekomstige verwacht rendement (inclusief een afslag voor toekomstige toeslagverlening). Het rendement op vastrentende waarden is voor 5 jaar vastgezet op basis van de DNB RTS per 30 september 2022. Tot en met boekjaar 2022 vond de premiedemping plaats op basis van de 120- maands-gemiddelde RTS.
Tezamen met deze wijziging heeft het bestuur besloten het premie-egalisatiedepot per 31 december 2022 te beëindigen en het in het depot resterende saldo ten gunste te laten komen aan het premieresultaat over 2022.
Het gewijzigde premiebeleid is getoetst door middel van een nieuwe aanvangshaalbaarheidstoets per 1 januari 2023.
Overlevingsgrondslagen / sterfte
De grondslag sterfte bestaat uit de combinatie van de overlevingstafel, de op de hieruit voortvloeiende sterftekansen toegepaste correctiefactoren en de risicopremies voor de dekking van de toe te kennen nabestaandenpensioenen (partner- en wezenpensioenen).
Op grond van het FTK dient wettelijk gezien rekening te worden gehouden met de voorzienbare toename in overlevingskansen (sterftetrend). Dit gebeurt door de voorziening pensioenverplichtingen vast te stellen op basis van een door het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) gepubliceerde prognosetafel. Sinds de inwerkingtreding van het FTK is de prognosetafel diverse malen geactualiseerd, in de regel gebeurt dit tweejaarlijks. Ultimo 2022 is de voorziening vastgesteld op basis van de Prognosetafel AG2022. Bij deze tafel worden fondsspecifieke correctiefactoren toegepast die in 2022 zijn herijkt. Tevens zijn de fondsspecifieke partnerfrequenties in 2022 herijkt. De impact van deze wijzigingen zal pas in boekjaar 2023 zichtbaar zijn in het resultaat op sterfte.
Het sterfterisico is te splitsen in twee soorten, te weten het langlevenrisico en het overlijdensrisico.
Het langlevenrisico doet zich voor bij de verzekeringen waarbij het verrichten van een uitkering afhankelijk is van het in leven blijven van de verzekerde, zoals ouderdomspensioenverzekeringen.
Het overlijdensrisico doet zich voor bij de verzekeringen waarbij het verrichten van een uitkering bepaald wordt door het overlijden van de verzekerden, zoals de nabestaandenpensioen-verzekeringen.
Ook in 2022 wordt het resultaat op sterfte beïnvloed door de landelijke oversterfte, die waarschijnlijk nog altijd direct of indirect het gevolg is van de COVID19-pandemie. In de overlevingsgrondslagen wordt namelijk geen rekening gehouden met de gevolgen van de pandemie. Verwacht wordt namelijk dat het effect van COVID19 snel uit de sterftecijfers zal verdwijnen. Evenals in 2020 en 2021 is door het CBS voor 2022 wel een significante oversterfte geconstateerd (ca. 9%).
Actuariële analyse van het resultaat
In onderstaand overzicht wordt het saldo van de baten en lasten uitgesplitst naar diverse bronnen. Het betreft een actuariële analyse waarbij de genoemde individuele resultaatcomponenten niet noodzakelijkerwijs één op één gematcht kunnen worden met uitsplitsingen in de Jaarrekening, die vanuit een andere invalshoek zijn weergegeven. Het totaalresultaat is uiteraard wel identiek.
Saldo van baten en lasten (bedragen x 1.000.000)
| 2022 | 2021 | ||
|---|---|---|---|
| Grondslagen resultaatbepaling: | |||
| Overlevingstafel primo boekjaar | AG 2022 | AG 2020 | |
| Gemiddelde rente primo boekjaar | 0,6% | 0,3% | |
| Premies en koopsommen | -236 | -430 | |
| Beleggingsresultaat (inclusief wijziging RTS) | 927 | 3.048 | |
| Toeslagverlening | -1.930 | 1 | |
| Sterfte | 48 | 42 | |
| Arbeidsongeschiktheid | -3 | -29 | |
| ANW-hiaat en wezenpensioen | 0 | 0 | |
| Kosten | 8 | 5 | |
| Mutaties / diversen | -33 | 81 | |
| Wijziging door bijzondere oorzaken | -84 | 0 | |
| Toekenningen VPL | -2 | -4 | |
| Totaalresultaat | -1.305 | 2.714 |
Het resultaat van het pensioenfonds toont in 2022 een negatief saldo van € 1.305 (2021: € 2.714 positief).
Het resultaat op beleggingen, inclusief wijziging rentetermijnstructuur (hierna: RTS), is een significante en beweeglijke post in de bepaling van het jaarresultaat. In 2022 bedraagt dit beleggingsresultaat € 927. Als gevolg van de gestegen rente voor waardering van de technische voorzieningen daalde de waarde daarvan, wat het beleggingsresultaat positief beïnvloedde. De afdekking van het renterisico en het verlies op zakelijke waarden hadden een negatieve invloed. Uiteindelijk resulteerde nog wel een positief beleggingsresultaat.
Het meest significante resultaat in 2022 was echter de toeslagverlening. Dat leidde tot een verlies van € 1.930 omdat de voorwaardelijke toeslagen uit de fondsmiddelen zijn gefinancierd.
De post mutaties/diversen bestaat in 2022 uit vele componenten, zoals resultaten voortvloeiend uit:
- uitkeringen
- afkopen
- waardeoverdrachten
- mutaties niet opgevraagde pensioenen
- mutaties voortvloeiend uit pensionerings- en flexibiliseringsmutaties, individuele pensioenclaims, echtscheidingen, (eenmalige) projecten en correcties
- boekingen en correcties op ambtshalve premies waar geen pensioenopbouw tegenover staat
- bankkosten, de betaalde intrest en de mutatie van het saldo van de schuld inzake de gemoedsbezwaarden.
Tenslotte kent 2022 een wat grotere post ‘wijziging door bijzondere oorzaken’. Deze is vooral veroorzaakt door de volgende grondslagwijzigingen:
- Ten opzichte van vorig jaar is de toegepaste prognosetafel gewijzigd. In de technische voorzieningen is per 31 december 2022 de omrekening naar de nieuwe Prognosetafel AG2022 van het Koninklijk Actuarieel Genootschap verwerkt. Dit betekende een verzwaring van de reservering, die leidde tot een resultaat van -/- € 223.
- De fondsspecifieke correctiefactoren zijn, conform het fondsbeleid, in 2022 getoetst en herijkt, wat tot een verlaging van de technische voorzieningen heeft geleid. Het resultaat voor het fonds bedroeg € 164.
- Ook de fondsspecifieke partnerfrequenties zijn in 2022 getoetst en herijkt. Dit resulteerde in een verzwaring van de reservering voor partner- en wezenpensioen. Het resultaat bedroeg -/- € 56.
- In 2022 heeft tevens een onderzoek plaatsgevonden naar de toereikendheid van de kostenvoorziening. Daarop is besloten de opslag te verlagen van 2,0% naar 1,8%, wat tot een vrijval van de technische voorzieningen leidde. Het resultaat op deze grondslagwijziging bedroeg € 49.
- Tot slot is de toereikendheid van de risicopremies bij arbeidsongeschiktheid onderzocht. De risicopremies voor premievrijstelling en aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen zijn met ingang van 1 januari 2023 verhoogd. Het bestuur heeft besloten deze verhogingen met terugwerkende kracht toe te passen op de in de IBNR gereserveerde risicopremies uit 2021 en 2022. Dit heeft geleid tot een verhoging van de IBNR, waardoor een resultaat is geboekt van -/- € 18.
Bij de vaststelling van de beleidsdekkingsgraad wordt vanaf 30 november jl. uitgegaan van deze nieuwe grondslagen.
Kostendekkende premie
Onder het FTK wordt expliciet een kostendekkende premie gedefinieerd voor nieuwe pensioenaanspraken. De vaststelling van de kostendekkende toetspremie (dat is de ex-ante kostendekkende premie op basis van een 120-maands gemiddelde RTS) vindt jaarlijks in het vierde kwartaal plaats op basis van de situatie van 30 september. Daarbij is uitgegaan van de op dat moment beschikbare informatie, zoals de meest recente salarisgegevens voor de pensioenopbouw tot en met september.
Vergelijking van de kostendekkende toetspremie op grond van het FTK en de verwachte verschuldigde premie leidt, tezamen met de onttrekking uit het premie egalisatiedepot, tot een nulresultaat.
| Toetsing kostendekkende premie | 2022 | 2021 | ||
|---|---|---|---|---|
| Ex-ante kostendekkende premie FTK (‘Toetspremie’) | -1.254 | -1.073 | ||
| Verschuldigde premie t.b.v. de pensioenregelingen | 1.217 | 1.129 | ||
| Saldo | 37 | 46 | ||
| Dotatie / onttrekking aan premie egalisatiedepot | -37 | -46 | ||
| Subtotaal | 0 | 0 | ||
| Vrijval resterende middelen uit premie-egalisatiedepot | 23 | 0 | ||
| Saldo | 23 | 0 |
De kostendekkende toetspremie op basis van het FTK is in 2022, net als in 2021, voldaan. De verschuldigde premie is op basis van deze opstelling kostendekkend.
Ultimo 2021 bedroeg het premie-egalisatiedepot € 60. In 2022 is het ex-ante vastgestelde verschil tussen de toetspremie en de verwachte verschuldigde premie van € 37 uit het depot onttrokken. Over 2022 is een rendement aan het depot onttrokken op basis van de éénjaarsrente per 31 december 2021. Tot slot is ultimo 2022 het op dat moment resterende saldo ad € 23 uit het premie-egalisatiedepot onttrokken ten gunste van het premieresultaat.
Het verloop van het premie egalisatiedepot is daarmee als volgt:
| Verloop premie egalisatiedepot | 2022 | 2021 | |
|---|---|---|---|
| Premie egalisatiedepot op 1 januari | 60 | 14 | |
| Toevoeging ex-post vastgestelde premiemarge | -37 | 46 | |
| Rendementstoevoeging | 0 | 0 | |
| Vrijval resterend saldo | -23 | 0 | |
| Premie egalisatiedepot op 31 december | 0 | 60 |
Toeslagverlening
Voorwaardelijke toeslagverlening
De toeslagen op pensioenrechten en pensioenaanspraken worden jaarlijks vastgesteld door het bestuur van het pensioenfonds. De daadwerkelijke toeslag in een jaar is (behoudens de excedentregeling) voorwaardelijk en afhankelijk van de hoogte van de beschikbare middelen.
Er is geen recht op toekomstige toeslagen4. Het is niet zeker of en in hoeverre in de toekomst toeslagverlening wordt gegeven. Het pensioenfonds heeft geen geld gereserveerd voor toekomstige toeslagen; de premiestelling is gebaseerd op de ambitie om een nominaal pensioen te kunnen verstrekken. Toeslagen zijn afhankelijk van de middelen van het pensioenfonds, die voor een belangrijk deel worden beïnvloed door de jaarlijkse beleggingsresultaten.
4 Behoudens onvoorwaardelijke toeslagen op de tot 1 januari 2010 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten in de excedentregeling.
Als de beleidsdekkingsgraad hoger is dan de volledige toeslagengrens kan het bestuur besluiten om een extra toeslagverlening toe te passen. Dat kan alleen als in eerdere jaren gekort is op de toeslagverlening en/of de pensioenaanspraken en pensioenrechten verlaagd zijn. De actieve en gewezen deelnemers van het pensioenfonds en de uitkeringsgerechtigden kunnen formeel geen aanspraak maken op een extra toeslagverlening als de situatie zoals hierboven beschreven aan de orde is. De reglementen en de ABTN van Pensioenfonds Vervoer kennen geen rechten op inhaaltoeslagen. Het eventueel toch toekennen daarvan is aan het bestuur.
Op basis van de financiële positie van het fonds per 30 september 2021, is in eerste instantie besloten per 1 januari 2022 geen toeslag te verlenen. Per 1 juli 2022 is het “Besluit tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader in verband met toeslag vanwege voorgenomen transitie” in werking getreden. Voor toeslagbesluiten die in 2022 werden genomen golden versoepelde voorwaarden. De belangrijkste randvoorwaarde om gebruik te kunnen maken van deze regeling is de intentie (NB dit is nog geen besluit) tot invaren naar het nieuwe pensioenstelsel. Daarnaast dient de actuele dekkingsgraad op het toeslagmoment ten minste 105% te bedragen.
Het bestuur heeft besloten gebruik te maken van de verruimde mogelijkheid tot toeslagverlening en heeft per 1 juli 2022 alsnog de volledig maatstaf van 1 januari 2022 (3,24%) toegekend over de per 30 juni 2022 opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten.
De maatstaf voor deze verhoging is de loonontwikkeling in de periode 2 juli 2020 – 1 juli 2021 (gewogen per sector). De toeslagmaatstaf is bepaald op basis van de naar aantal deelnemers gewogen gemiddelde loonontwikkeling.
Ook voor de voorwaardelijke toeslagverlening per 1 januari 2023 is gebruik gemaakt van de verruiming van de mogelijkheden tot toeslagverlening. Het bestuur heeft dit besluit eveneens in 2022 genomen. Per 1 januari 2023 is de volledige maatstaf van 3,09% toegekend, gebaseerd op de gewogen loonontwikkeling in de periode 2 juli 2021 – 1 juli 2022.
De bestuursbesluiten tot voorwaardelijke toeslagverlening zijn genomen nadat in een zorgvuldig traject alle belangen zijn gewogen. Van jong en oud en van gewezen deelnemers tot pensioengerechtigden. Ook is bekeken of bij het eventueel invaren in een nieuwe pensioenregeling in het nieuwe pensioenstelsel er nog geld genoeg is om een reserve aan te leggen om grote schommelingen in het verwachte pensioen op te vangen en/of om bepaalde groepen te kunnen compenseren als dat nodig is. Een verhoging leek en lijkt – gezien de financiële gezondheid van het fonds - eventuele maatregelen in de toekomst niet in de weg te staan.
Onvoorwaardelijke toeslagverlening
Onvoorwaardelijke toeslagen worden verleend op de tot 1 januari 2010 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten in de excedentregeling. Op 1 januari 2023 zijn deze met 12,45% verhoogd (1 januari 2022: 1,29%).
TNT Express
Per 30 november 2021 zijn alle tot die datum opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten bij Pensioenfonds TNT Express collectief overgedragen naar Pensioenfonds Vervoer. Bij Pensioenfonds TNT Express waren, op het moment van de collectie waardeoverdracht naar PF Vervoer, meer middelen beschikbaar dan benodigd voor de inkoop van de nominale aanspraken. Uit dit surplus is bij Pensioenfonds Vervoer een onvoorwaardelijke indexatie ingekocht die, na verrekening van de solvabiliteitsopslag, definitief is vastgesteld op 10,41% per 30 november 2021. Hiervoor is een voorziening voor toekomstige indexatie voor TNT Express gevormd. Voor zover mogelijk zal uit deze voorziening jaarlijks een toeslag worden toegekend over de per 30 november 2021 overgedragen pensioenaanspraken en –rechten. Deze toeslag is gelijk aan de door het CBS vastgestelde jaarlijkse loonstijging, verminderd met de door Pensioenfonds Vervoer toegekende voorwaardelijke toeslag per dezelfde datum, met een maximum van 3%. Aangezien per 1 juli 2022 en 1 januari 2023 door Pensioenfonds Vervoer een voorwaardelijke toeslag is toegekend die hoger is dan de maximale 3% zijn ultimo 2022 nog geen middelen uit deze voorziening aangewend voor toeslagen voor de betreffende TNT Express populatie.
De nog toe te kennen toeslag wordt jaarlijks per 1 januari geactualiseerd. Per 31 december 2022 bedraagt de hoogte van de nog toe te kennen toeslagen 10,55%.
Haalbaarheidstoets en risicohouding
De haalbaarheidstoets geeft inzicht in de samenhang tussen de financiële opzet, het verwachte pensioenresultaat en de risico's die daarbij gelden. Minimaal eenmaal per jaar moet deze toets worden uitgevoerd, voor het eerst in 2015. Dat was toen de ‘aanvangshaalbaarheidstoets’. Primair is de haalbaarheidstoets een beleidstool voor het bestuur van het pensioenfonds en de sociale partners om inzicht te krijgen of de pensioentoezegging kan worden waargemaakt. Op basis van de uitkomsten kunnen het bestuur en de sociale partners bepaalde beleidsbeslissingen nemen en onderbouwen. Er worden in de haalbaarheidstoets diverse toekomstscenario’s doorgerekend over een periode van 60 jaar. De uitkomst hiervan wordt het pensioenresultaat genoemd. Gegeven de lange prognoseperiode van 60 jaar zijn de uitkomsten van het uit de haalbaarheidstoets voortkomende pensioenresultaat slechts in geringe mate maatgevend voor de korte termijn.
Bij de in 2015 door het bestuur, in overleg met Cao-partijen en het verantwoordingsorgaan, opgestelde risicohouding heeft een evenwichtige belangenafweging centraal gestaan. De risicohouding komt in termen van het risicoprofiel van de beleggingen overeen met de huidige strategische norm.
De risicohouding van het pensioenfonds, zoals vastgelegd in het besluit financieel toetsingskader van december 2014, bestaat uit drie onderdelen:
- Kwalitatieve beschrijving van de risicohouding;
- Kwantitatieve beschrijving van de korte termijn risicohouding;
- Kwantitatieve beschrijving van de lange termijn risicohouding.
De risicohouding van het pensioenfonds voldoet aan de ‘prudent person-regel’. Voor de korte termijn komt de risicohouding tot uitdrukking in de hoogte van (een bandbreedte voor) het vereist eigen vermogen. Voor de lange termijn komt de risicohouding tot uitdrukking in de door het pensioenfonds gekozen ondergrenzen in het kader van de haalbaarheidstoets.
De haalbaarheidstoets is een stochastische toets die inzicht geeft in de samenhang tussen de financiële opzet, het verwachte pensioenresultaat en de risico’s die daarbij gelden. De economische scenario’s zijn door DNB voorgeschreven.
Ad 1: Kwalitatieve beschrijving van de risicohouding
De premie is minimaal en maximaal gelijk aan 30% van de pensioengrondslag.
- De premie dient (inclusief financiering van de VPL-verplichting sector Vervoer tot en met 31 oktober 2020) kostendekkend te zijn.
- Bij de bepaling van de kostendekkende premie voor de pensioenopbouw werd vóór 2023 rekening gehouden met een 120-maands middeling van de rente. Bij de bepaling van de gedempte kostendekkende premie voor de VPL-regeling werd een rentevoet gehanteerd die gelijk aan het gemiddelde van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuren over de aan het desbetreffende kalenderjaar voorafgaande vijf jaren waarbij de rentetermijnstructuur van 30 september als basis dient.
- Het niet hoeven korten van pensioenen is voorlopig belangrijker dan de toeslagverlening. Dit betekent dat de kans op korting klein moet zijn.
Ad 2: Kwantitatieve beschrijving van de korte termijn risicohouding
De korte termijn risicohouding is vertaald in een strategische beleggingsportefeuille met bandbreedtes. Het risico wordt uitgedrukt in termen van het vereist eigen vermogen bij de strategische portefeuille. Toekomstige wijzigingen van het vereist eigen vermogen veroorzaakt door fluctuaties in de rentestand zijn toegestaan. Het bestuur heeft besloten voor de vereist vermogen-bandbreedte een ondergrens van 85% en een bovengrens van 125% op basis van de strategische portefeuille te hanteren. Toekomstige wijzigingen van het VEV veroorzaakt door fluctuaties in de rentestand zijn toegestaan.
Met dit beleid heeft het bestuur beoordeeld dat deze bandbreedte acceptabel is uit hoofde van balansrisicomanagement.
Ad 3: Kwantitatieve beschrijving van de lange termijn risicohouding
Om invulling te geven aan het bepaalde in artikel 22 van het Besluit Financieel Toetsingskader kiest het pensioenfonds de volgende grenzen in het kader van de uitvoering van de aanvangshaalbaarheidstoets:
- De ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat vanuit de situatie dat het pensioenfonds precies beschikt over het vereist eigen vermogen is gelijk aan 85%.
- De ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat vanuit de feitelijke dekkingsgraad van het pensioenfonds bij het van toepassing worden van het nieuwe financiële toetsingskader is gelijk aan 85%.
- Bij de jaarlijkse haalbaarheidstoets berekent het pensioenfonds vanuit de feitelijke dekkingsgraad zowel het verwachte pensioenresultaat als het pensioenresultaat in een slechtweerscenario. De maximale relatieve afwijking tussen het verwachte pensioenresultaat en het pensioenresultaat in het slecht weer scenario die het pensioenfonds dan acceptabel vindt is 33%. Dit betekent dat het pensioenresultaat in slechts 5% van de scenario’s meer dan 33% lager mag zijn dan het verwachte pensioenresultaat vanuit de feitelijke dekkingsgraad.
Resultaten van de haalbaarheidstoets
In het lange termijn risicohouding beleid is de ondergrens bij het verwacht pensioenresultaat op fondsniveau vastgesteld op 85%. De uitkomst op 1 januari 2022 bedraagt 97,0% (1 januari 2021: 98,0%). Dat is ruim boven de vastgestelde ondergrens van 85%.
In het lange termijn risicohouding beleid is de maximale afwijking van het pensioenresultaat op fondsniveau in een slechtweer scenario vastgesteld op 33%. De uitkomst op 1 januari 2022 bedraagt 30,2% (1 januari 2021: 30,9%). Dat is dus lager dan de vastgestelde maximale afwijking.
Pensioenfonds Vervoer voldoet hiermee aan de normering van de pensioenresultaten die in 2015 door het bestuur zijn vastgesteld op basis van de aanvangshaalbaarheidstoets.
In verband met de wijziging van het premiebeleid met ingang van 1 januari 2023 is in 2022 tevens een nieuwe aanvangshaalbaarheidstoets uitgevoerd. Ook de uitkomsten van deze toets per 30 september 2022 voldoen aan de in 2015 gestelde grenzen.
De resultaten op 1 januari 2023 zijn nog niet bekend; de nieuwe haalbaarheidstoets zal pas eind juni 2023 bij DNB worden ingediend.