Financiële ontwikkelingen
Financiële ontwikkelingen
Financiële positie van het pensioenfonds
De dekkingsgraad wordt vastgesteld als het pensioenvermogen gedeeld door de totale technische voorzieningen. De dekkingsgraad op basis van de door DNB vastgestelde rentetermijnstructuur is op 31 december 2024 uitgekomen op 111,3%. Eind 2023 was de dekkingsgraad 107,6%. Bij de toename van de dekkingsgraad in 2024 moet in acht worden genomen dat hier de indexatie met 0,4% per 1 januari 2025 al in verwerkt is.
De toetsingsgrootheid in het Financieel Toetsingskader (FTK) is de beleidsdekkingsgraad. Dit is de gemiddelde dekkingsgraad van de laatste 12 maanden. In 2024 is de beleidsdekkingsgraad gedaald van 114,5% naar 111,6%.
Het pensioenvermogen wordt berekend als het eigen vermogen (ook wel genoemd: het weerstandsvermogen) vermeerderd met de technische voorzieningen. Het pensioenvermogen op 31 december 2024 bedroeg € 36,0 miljard (eind 2023: € 32,4 miljard). De technische voorzieningen (ook wel genoemd: de voorziening pensioenverplichtingen) bedroegen eind 2024: € 32,3 miljard (eind 2023: € 30,1 miljard). Het pensioenvermogen gedeeld door de technische voorzieningen leidt (als niet de afgeronde maar de exacte cijfers worden gebruikt) tot eerdergenoemde dekkingsgraad van 111,3% (eind 2023: 107,6%).
Bij de vaststelling van de voorziening pensioenverplichtingen worden schattingselementen gehanteerd. Deze schattingselementen zijn gebaseerd op veronderstellingen ten aanzien van bijvoorbeeld sterftekansen, rente en kosten. Gedurende het boekjaar wijken de werkelijke ontwikkelingen onvermijdelijk af van deze veronderstellingen, waardoor er ten opzichte van de veronderstellingen winst of verlies wordt gerealiseerd.
Onder het FTK worden twee toetsingsgrenzen gedefinieerd: minimaal vereist vermogen en vereist vermogen.
Het minimaal vereist vermogen is gelijk aan de voorziening pensioenverplichtingen verhoogd met een opslag (‘minimaal vereist eigen vermogen’) voor algemene risico’s. Op 20 mei 2019 heeft het Actuarieel Genootschap een leidraad gepubliceerd, waarmee pensioenfondsen een eenduidige methode wordt aangereikt inzake de vaststelling van het minimaal vereist eigen vermogen. De vaststelling van het minimaal vereist vermogen van Pensioenfonds Vervoer is gebaseerd op deze leidraad. De uitkomst als percentage van de technische voorzieningen bedroeg eind 2024: 104,3% (eind 2023: 104,3%).
Op 31 december 2024 was de aanwezige beleidsdekkingsgraad 111,6% (eind 2023: 114,5%). Dat was hoger dan de minimaal vereiste 104,3% (eind 2023: 104,3%). Er is dus geen sprake van een ‘dekkingstekort’.
Het vereist vermogen is gelijk aan de voorziening pensioenverplichtingen, verhoogd met een zodanige opslag (‘vereist eigen vermogen’), dat de kans maximaal 2,5% is dat de aanwezige dekkingsgraad van het pensioenfonds in een periode van één jaar lager wordt dan 100%. Voor de vaststelling van deze opslag is wettelijk een standaardtoets voorgeschreven. Deze standaardtoets wordt ook bij Pensioenfonds Vervoer toegepast. Met name het renterisico en het zakelijke waarden risico zijn bepalend voor de uitkomst van deze toets.
Het vereist vermogen op basis van de strategische portefeuille is leidend. Als percentage van de technische voorzieningen kwam de vereiste dekkingsgraad van eind 2024 uit op 118,3% (eind 2023: 118,5%). De aanwezige beleidsdekkingsgraad van 111,6% (eind 2023: 114,5%) was lager dan de vereiste dekkingsgraad, zodat sprake is van een reservetekort.
Voor de volledigheid vermelden we het vereist vermogen tevens op basis van de feitelijke beleggingsmix. De uitkomst op 31 december 2024 als percentage van de technische voorzieningen is dan 118,9% (eind 2023: 118,1%). Het verschil met het vereist vermogen op basis van het strategische beleggingsbeleid komt met name door een hogere allocatie (2023: lagere allocatie) naar zakelijke waarden dan strategisch beoogd.
Herstelplan/overbruggingsplan
Begin 2024 heeft het bestuur besloten om met ingang van dit boekjaar toe te treden tot het transitie-FTK. Het transitie-FTK is gericht op het bereiken van een evenwichtige overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Daarmee moet voorkomen worden dat fondsen in de jaren tot de transitiemaatregelen moeten treffen die voor evenwichtig invaren niet nodig zijn. Gedurende de periode tot transitie worden met dit toetsingskader extra beleidsmogelijkheden geboden (onder voorwaarden) ten aanzien van kortings- en toeslagregels en wijziging van het strategisch beleggingsbeleid.
Als onderdeel van het in 2024 ingediende eerste overbruggingsplan is een herstelsjabloon opgesteld. De daadwerkelijke dekkingsgraad per 31 december 2024 (111,3%) blijkt hoger dan de eerder, vanuit het herstelsjabloon, geprognosticeerde dekkingsgraad per deze datum (109,7%).
Ontwikkeling dekkingsgraad
Onderstaande tabel geeft inzicht in het daadwerkelijke verloop van de dekkingsgraad in 2023 ten opzichte van het verloop zoals geschat in het herstelsjabloon, als onderdeel van het overbruggingsplan.
Verloop dekkingsgraad in 2024
| Verloop dekkingsgraad in 2024 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Feitelijk | Herstelsjabloon | Verschil | |||
| Dekkingsgraad per 31 december 2023 | 107,6% | 107,6% | 0,0% | ||
| Verandering van de dekkingsgraad als gevolg van: | |||||
| Nieuwe premies | 0,7% | 0,6% | 0,1% | ||
| Gedane uitkeringen | 0,2% | 0,2% | 0,0% | ||
| Toeslagverlening | -0,5% | 0,0% | -0,5% | ||
| Wijziging rente (RTS) | -2,8% | 0,0% | -2,8% | ||
| Rendement | 5,6% | 1,2% | 4,4% | ||
| Overige oorzaken (o.a. wijzigingen grondslagen) | 0,5% | 0,1% | 0,4% | ||
| Dekkingsgraad per 31 december 2024 | 111,3% | 109,7% | 1,6% |
Premiedekkingsgraad
De premiedekkingsgraad geeft de verhouding weer tussen de betaalde premie voor de nieuw in te kopen aanspraken en de TV die het pensioenfonds vaststelt voor deze nieuwe aanspraken (zuivere premie, dus op basis van de rentetermijnstructuur). Een premiedekkingsgraad van 100% is precies voldoende voor de fondsreservering, waarbij dan geen rekening wordt gehouden met een opslag voor het Vereist Eigen Vermogen. Bij een premiedekkingsgraad lager dan de actuele dekkingsgraad, loopt de actuele dekkingsgraad terug en vice versa.
De ex-post premiedekkingsgraad bedraagt 125,8%. Dit is iets lager dan de premiedekkingsgraad in 2023 (129,2%) maar hoger dan de actuele dekkingsgraad op 1 januari 2024 (107,6%). De premie heeft daarmee bijgedragen aan herstel van de dekkingsgraad in 2024. De dekkingsgraad is hierdoor in 2024 met 0,7%-punt gestegen.
Overlevingsgrondslagen / sterfte
De grondslag sterfte bestaat uit de combinatie van de overlevingstafel, de op de hieruit voortvloeiende sterftekansen toegepaste correctiefactoren en de risicopremies voor de dekking van de toe te kennen nabestaandenpensioenen (partner- en wezenpensioenen).
Op grond van het FTK dient wettelijk gezien rekening te worden gehouden met de voorzienbare toename in overlevingskansen (sterftetrend). Dit gebeurt door de voorziening pensioenverplichtingen vast te stellen op basis van een door het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) gepubliceerde prognosetafel. Sinds de inwerkingtreding van het FTK is de prognosetafel diverse malen geactualiseerd, in de regel gebeurt dit tweejaarlijks.
Ultimo 2024 is de voorziening vastgesteld op basis van de nieuwe Prognosetafel AG2024. Bij deze tafel worden fondsspecifieke correctiefactoren toegepast die in 2024 zijn herijkt.
Het sterfterisico is te splitsen in twee soorten, te weten het langlevenrisico en het overlijdensrisico:
- Het langlevenrisico doet zich voor bij de verzekeringen waarbij het verrichten van een uitkering afhankelijk is van het in leven blijven van de verzekerde, zoals ouderdomspensioenverzekeringen.
- Het overlijdensrisico doet zich voor bij de verzekeringen waarbij het verrichten van een uitkering bepaald wordt door het overlijden van de verzekerden, zoals de nabestaandenpensioen-verzekeringen
Sinds 2020 wordt het resultaat op sterfte beïnvloed door de landelijke oversterfte. Daarbij is in afnemende mate sprake van samenhang met de COVID19-sterfte. Mede op basis van de vier achtereenvolgende jaren van oversterfte heeft het CBS haar prognoses naar beneden bijgesteld. Desalniettemin was er ook in 2024 weer sprake van een landelijke oversterfte.
Ook bij Pensioenfonds Vervoer is in 2024 wederom sprake van enige oversterfte. De (relatieve) resultaten op langleven zijn in 2023 en 2024 wel kleiner dan de drie daaraan voorafgaande jaren.
Actuariële analyse van het resultaat
In onderstaand overzicht wordt het saldo van de baten en lasten uitgesplitst naar diverse bronnen. Het betreft een actuariële analyse waarbij de genoemde individuele resultaatcomponenten niet noodzakelijkerwijs één op één gematcht kunnen worden met uitsplitsingen in de Jaarrekening, die vanuit een andere invalshoek zijn weergegeven. Het totaalresultaat is uiteraard wel identiek.
Saldo van baten en lasten (bedragen x 1.000.000)
| 2024 | 2023 | ||
|---|---|---|---|
| Grondslagen resultaatbepaling: | |||
| Overlevingstafel primo boekjaar | AG 2022 | AG 2022 | |
| Gemiddelde rente primo boekjaar | 2,3% | 2,5% | |
| Premies en koopsommen | 291 | 301 | |
| Beleggingsresultaat (inclusief wijziging RTS) | 1.022 | 1.337 | |
| Toeslagverlening | -131 | -2.101 | |
| Sterfte | 49 | 34 | |
| Arbeidsongeschiktheid | 3 | 36 | |
| ANW-hiaat en wezenpensioen | 1 | 0 | |
| Kosten | 1 | 6 | |
| Mutaties / diversen | -2 | -23 | |
| Wijziging door bijzondere oorzaken | 150 | 13 | |
| Toekenningen VPL | -3 | -1 | |
| Totaalresultaat | 1.380 | -398 |
Het resultaat van het pensioenfonds toont in 2024 een saldo van € 1.380 mln. (2023: € 398 mln. negatief).
Toelichting op enkele resultaatposten
Beleggingsresultaat
Het resultaat op beleggingen, inclusief wijziging rentetermijnstructuur (RTS), is veelal een significante en beweeglijke post in de bepaling van het jaarresultaat. In 2024 bedraagt dit beleggingsresultaat € 1.022 mln. (2023: € 1.337 mln.). Het werkelijk behaalde rendement bedroeg in 2023 8,9%. Door de gedaalde rente steeg de waarde van de vastrentende waarden en rentederivaten. Zakelijke waarden zijn in 2024 eveneens in waarde gestegen.
In deze post is de toevoeging aan de technische voorzieningen (TV) in verband met de wijziging van de RTS van 31 december 2023 naar 31 december 2024 begrepen. Dit betreft een negatief effect van € 803 mln. in verband met de gedaalde rente.
Resultaat op toeslagverlening
Ten opzichte van 2023 is het resultaat op toeslagverlening lager, omdat per 1 januari 2025 een voorwaardelijke toeslag is verleend van 0,4% (1 januari 2024: 7,55%). Dat leidde in 2024 tot een verlies van € 131 mln. (2023: € 2.101 mln. negatief) omdat de voorwaardelijke toeslagen uit de fondsmiddelen zijn gefinancierd. Verderop in dit hoofdstuk wordt meer aandacht besteed aan de toeslagverlening.
Resultaat op mutaties/diversen
De post mutaties/diversen bestaat uit vele componenten, zoals resultaten voortvloeiend uit:
- uitkeringen
- afkopen
- waardeoverdrachten
- mutaties niet opgevraagde pensioenen
- mutaties voortvloeiend uit pensionerings- en flexibiliseringsmutaties, individuele pensioenclaims, echtscheidingen, (eenmalige) projecten en correcties
- boekingen en correcties op ambtshalve premies waar geen pensioenopbouw tegenover staat
- bankkosten, de betaalde intrest en de mutatie van het saldo van de schuld inzake de gemoedsbezwaarden.
Resultaat uit wijzigingen door bijzondere oorzaken
Ten opzichte van vorig boekjaar is de toegepaste prognosetafel gewijzigd. In de technische voorzieningen is per 31 december 2024 de omrekening naar de nieuwe Prognosetafel AG2024 van het Koninklijk Actuarieel Genootschap verwerkt. Hierdoor zijn de technische voorzieningen afgenomen met € 47 mln.
De fondsspecifieke correctiefactoren zijn, conform het fondsbeleid, in 2024 getoetst en herijkt. Dit heeft tot een daling van de technische voorzieningen met 96 mln. geleid.
Bij de vaststelling van de beleidsdekkingsgraad wordt vanaf 31 oktober 2024 uitgegaan van deze nieuwe grondslagen.
Als gevolg van de verlaging van de verwachte AOW-leeftijden daalden de technische voorzieningen per 31 december 2024 met 7 mln. Dit heeft betrekking op premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid, ingegane tijdelijke nabestaandenpensioenen en ingegane arbeidsongeschiktheidspensioenen.
Kostendekkende premie
De gedempte kostendekkende premie wordt vanaf 1 januari 2023 vastgesteld op basis van het toekomstige verwacht rendement (inclusief een afslag voor toekomstige toeslagverlening).
| Toetsing kostendekkende premie (x € 1 mln.) | ||
|---|---|---|
| 2024 | 2023 | |
| Verschuldigde premie | 1.354 | 1.273 |
| Kostendekkende premie | 1.254 | 1.144 |
De verschuldigde premie (€ 1.354 mln.) wordt getoetst op kostendekkendheid door een vergelijking met de kostendekkende toetspremie (€ 1.254 mln.). De verschuldigde premie is in 2024 hoger en is daarmee kostendekkend.
Toeslagverlening
Voorwaardelijke toeslagverlening
In 2024 heeft het bestuur besloten toe te treden tot het transitie-FTK. Gedurende het transitie-FTK kan een ruimer toeslagbesluit gehanteerd worden. Het bestuur heeft als input voor het transitie-FTK het uitgangspunt gehanteerd dat de pensioenen eventueel verhoogd worden als de dekkingsgraad op de peildatum hoger is dan 110%, na toekennen van de toeslag de dekkingsgraad niet lager is dan 110% en dat de toeslag niet meer kan bedragen dan de maatstaf.
Getoetst per 30 september 2024 aan de contante waarde van toekomstbestendige toeslagverlening bleek de toeslagruimte voldoende voor 0,38% toeslagverlening (6,57% van de maatstaf). Op basis van de verruimde mogelijkheid is besloten per 1 januari 2025 over de opgebouwde aanspraken van de basisregeling een toeslag te verlenen van 0,40%. Deze toeslag is reeds verwerkt in de technische voorzieningen per 31 december 2024.
De maatstaf voor deze verhoging is de loonontwikkeling in de periode 2 juli 2023 – 1 juli 2024 (gewogen per sector). De toeslagmaatstaf is bepaald op basis van de naar aantal deelnemers gewogen gemiddelde loonontwikkeling.
De bestuursbesluiten tot voorwaardelijke toeslagverlening zijn genomen nadat in een zorgvuldig traject alle belangen evenwichtig zijn gewogen. Van jong en oud en van gewezen deelnemers tot pensioengerechtigden. Ook is bekeken of bij het eventueel invaren in een nieuwe pensioenregeling in het nieuwe pensioenstelsel er nog geld genoeg is om een reserve aan te leggen om grote schommelingen in het verwachte pensioen op te vangen en/of om bepaalde groepen te kunnen compenseren als dat nodig is. Een verhoging leek en lijkt – gezien de financiële gezondheid van het fonds - eventuele maatregelen in de toekomst niet in de weg te staan.
Er is geen recht op toekomstige toeslagen (behoudens onvoorwaardelijke toeslagen op de tot 1 januari 2010 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten op de excedentregeling). Het is niet zeker of en in hoeverre in de toekomst toeslagverlening wordt gegeven. Het pensioenfonds heeft geen geld gereserveerd voor toekomstige toeslagen; de premiestelling is gebaseerd op de ambitie om een nominaal pensioen te kunnen verstrekken. Toeslagen zijn afhankelijk van de middelen van het pensioenfonds, die voor een belangrijk deel worden beïnvloed door de jaarlijkse beleggingsresultaten.
Onvoorwaardelijke toeslagverlening excedentregeling
Onvoorwaardelijke toeslagen worden verleend op de pensioenaanspraken en -rechten die zijn opgebouwd in de excedentpensioenregelingen vóór 1 januari 2010.
De verleende toeslag per 1 januari 2025 bedraagt 2,71%.