Financiële ontwikkelingen
Financiële positie van het pensioenfonds
De dekkingsgraad wordt vastgesteld als het pensioenvermogen gedeeld door de totale technische voorzieningen. De dekkingsgraad op basis van de door DNB vastgestelde rentetermijnstructuur is op 31 december 2023 uitgekomen op 107,6%. Eind 2022 was de dekkingsgraad 110,3%. Bij de afname van de dekkingsgraad in 2023 moet in acht worden genomen dat hier de indexatie met 7,55% per 1 januari 2024 al in verwerkt is.
De toetsingsgrootheid in het Financieel Toetsingskader (FTK) is de beleidsdekkingsgraad. Dit is de gemiddelde dekkingsgraad van de laatste 12 maanden. In 2023 is de beleidsdekkingsgraad gestegen van 111,1% naar 114,5%.
Het pensioenvermogen wordt berekend als het eigen vermogen (ook wel genoemd: het weerstandsvermogen) vermeerderd met de technische voorzieningen. Het pensioenvermogen op 31 december 2023 bedroeg € 32,4 miljard (eind 2022: € 28,6 miljard). De technische voorzieningen (ook wel genoemd: de voorziening pensioenverplichtingen) bedroegen eind 2023: € 30,1 miljard (eind 2022: € 25,9 miljard). Het pensioenvermogen gedeeld door de technische voorzieningen leidt (als niet de afgeronde maar de exacte cijfers worden gebruikt) tot eerdergenoemde dekkingsgraad van 107,6% (eind 2022: 110,3%).
Bij de vaststelling van de voorziening pensioenverplichtingen worden schattingselementen gehanteerd. Deze schattingselementen zijn gebaseerd op veronderstellingen ten aanzien van bijvoorbeeld sterftekansen, rendementen en kosten. Gedurende het boekjaar wijken de werkelijke ontwikkelingen onvermijdelijk af van deze veronderstellingen, waardoor er ten opzichte van de veronderstellingen winst of verlies wordt gerealiseerd.
Onder het FTK worden twee toetsingsgrenzen gedefinieerd:
Het ‘minimaal vereist vermogen’ is gelijk aan de voorziening pensioenverplichtingen verhoogd met een opslag (‘minimaal vereist eigen vermogen’) voor algemene risico’s. Op 20 mei 2019 heeft het Actuarieel Genootschap een leidraad gepubliceerd, waarmee pensioenfondsen een eenduidige methode wordt aangereikt inzake de vaststelling van het minimaal vereist eigen vermogen. De vaststelling van het minimaal vereist vermogen van Pensioenfonds Vervoer is gebaseerd op deze leidraad. De uitkomst als percentage van de technische voorzieningen bedroeg eind 2023: 104,3% (eind 2022: 104,4%).
Op 31 december 2023 was de aanwezige beleidsdekkingsgraad 114,5% (eind 2022: 111,1%). Dat was hoger dan de minimaal vereiste 104,3% (eind 2022: 104,4%). Er is dus geen sprake van een ‘dekkingstekort’.
Het ‘vereist vermogen’ is gelijk aan de voorziening pensioenverplichtingen, verhoogd met een zodanige opslag (‘vereist eigen vermogen’), dat de kans maximaal 2,5% is dat de aanwezige dekkingsgraad van het pensioenfonds in een periode van één jaar lager wordt dan 100%. Voor de vaststelling van deze opslag is door DNB een standaardtoets ontwikkeld. Deze standaardtoets wordt ook bij Pensioenfonds Vervoer toegepast. Met name het renterisico en het zakelijke waarden risico zijn bepalend voor de uitkomst van deze toets.
Het vereist vermogen op basis van de strategische portefeuille is leidend. Als percentage van de technische voorzieningen kwam de vereiste dekkingsgraad van eind 2023 uit op 118,5% (eind 2022: 118,2%). De aanwezige beleidsdekkingsgraad van 114,5% (eind 2022: 111,1%) was lager dan de vereiste dekkingsgraad, zodat sprake is van een ‘reservetekort’.
Voor de volledigheid vermelden we het vereist vermogen tevens op basis van de feitelijke beleggingsmix. De uitkomst op 31 december 2023 als percentage van de technische voorzieningen is dan 118,1% (eind 2022: 119,6%). Het verschil met het vereist vermogen op basis van het strategische beleggingsbeleid komt met name door een lagere allocatie (2022: hogere allocatie) naar zakelijke waarden dan strategisch beoogd.
Herstelplan
Als de dekkingsgraad van het pensioenfonds lager is dan de vereiste dekkingsgraad, moet volgens het huidige FTK een herstelplan worden opgesteld waaruit blijkt hoe het fonds het vermogen binnen 10 jaar op het vereiste niveau brengt. Jaarlijks wordt dit plan geëvalueerd en geactualiseerd.
In 2015 heeft het pensioenfonds een herstelplan ingediend, op basis van de eisen van het FTK. Sindsdien is het plan tot en met 2023 jaarlijks, met peildatum 1 januari van het betreffende jaar, geactualiseerd. De daadwerkelijke dekkingsgraad per 31 december 2023 (107,6%) bleek lager dan de eerder - vanuit het per 1 januari 2023 geactualiseerde herstelplan - geprognosticeerde dekkingsgraad per deze datum (112,7%).
In maart 2024 heeft het bestuur besloten om met ingang van 2024 toe te treden tot het transitie-FTK. Het transitie-FTK is gericht op het bereiken van een evenwichtige overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Daarmee moet voorkomen worden dat fondsen in de jaren tot de transitie maatregelen moeten treffen die voor evenwichtig invaren niet nodig zijn. Gedurende de periode tot transitie worden met dit toetsingskader extra beleidsmogelijkheden geboden (onder voorwaarden) ten aanzien van kortings- en toeslagregels en wijziging van het strategisch beleggingsbeleid. Nu het bestuur besloten heeft om toe te treden tot dit overgangsregime zal uiterlijk 1 juli 2024 het eerste overbruggingsplan bij DNB ingediend moeten worden. Er hoeft nu geen geactualiseerd herstelplan 2024 meer te worden gemaakt.
Ontwikkeling dekkingsgraad
Onderstaande tabel geeft inzicht in het daadwerkelijke verloop van de dekkingsgraad in 2023 ten opzichte van het verloop zoals geschat in het herstelplan dat in dat jaar van toepassing was.
Verloop dekkingsgraad in 2023
| Verloop dekkingsgraad in 2023 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Feitelijk | Herstelplan | Verschil | |||
| Startdekkingsgraad in herstelplan (op basis van standen ultimo 2022) | 110,3% | 110,3% | 0,0% | ||
| Verandering van de dekkingsgraad als gevolg van: | |||||
| Nieuwe premies | 0,7% | 0,7% | 0,0% | ||
| Gedane uitkeringen | 0,2% | 0,2% | 0,0% | ||
| Toeslagverlening | -7,7% | -0,2% | -7,5% | ||
| Wijziging rente (RTS) | -3,2% | 0,0% | -3,2% | ||
| Rendement | 7,3% | 1,6% | 5,7% | ||
| Overige oorzaken (o.a. wijzigingen grondslagen) | 0,0% | 0,1% | -0,1% | ||
| Dekkingsgraad per 31 december 2023 | 107,6% | 112,7% | -5,1% |
Premiedekkingsgraad
De premiedekkingsgraad geeft de verhouding weer tussen de betaalde premie voor de nieuw in te kopen aanspraken en de TV die het pensioenfonds vaststelt voor deze nieuwe aanspraken (zuivere premie, dus op basis van de rentetermijnstructuur). Een premiedekkingsgraad van 100% is precies voldoende voor de fondsreservering, waarbij dan geen rekening wordt gehouden met een opslag voor het Vereist Eigen Vermogen. Bij een premiedekkingsgraad lager dan de actuele dekkingsgraad, loopt de actuele dekkingsgraad terug en vice versa.
De ex-post premiedekkingsgraad bedraagt 129,2%. Dit is aanzienlijk hoger dan de premiedekkingsgraad in 2022 (85,7%) en tevens hoger dan de actuele dekkingsgraad op 1 januari 2023 (110,3%). De premie heeft daarmee bijgedragen aan herstel van de dekkingsgraad in 2023. De dekkingsgraad is hierdoor in 2023 met 0,7%-punt gestegen.
Voor 2024 wordt een premiedekkingsgraad verwacht van 124,9%.
Nieuw premiebeleid
Met ingang van 1 januari 2023 is het premiebeleid van het fonds gewijzigd. De kostendekkendheid van de premie wordt getoetst op basis van het toekomstige verwacht rendement (inclusief een afslag voor toekomstige toeslagverlening). Het rendement op vastrentende waarden is voor 5 jaar vastgezet op basis van de DNB RTS per 30 september 2022. Tot en met boekjaar 2022 vond de premiedemping plaats op basis van de 120- maands-gemiddelde RTS.
Overlevingsgrondslagen / sterfte
De grondslag sterfte bestaat uit de combinatie van de overlevingstafel, de op de hieruit voortvloeiende sterftekansen toegepaste correctiefactoren en de risicopremies voor de dekking van de toe te kennen nabestaandenpensioenen (partner- en wezenpensioenen).
Op grond van het FTK dient wettelijk gezien rekening te worden gehouden met de voorzienbare toename in overlevingskansen (sterftetrend). Dit gebeurt door de voorziening pensioenverplichtingen vast te stellen op basis van een door het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) gepubliceerde prognosetafel. Sinds de inwerkingtreding van het FTK is de prognosetafel diverse malen geactualiseerd, in de regel gebeurt dit tweejaarlijks. Ultimo 2022 is de voorziening vastgesteld op basis van de Prognosetafel AG2023. Bij deze tafel worden fondsspecifieke correctiefactoren toegepast die in 2022 zijn herijkt. Tevens zijn de fondsspecifieke partnerfrequenties in 2022 herijkt. De impact van deze wijzigingen is in boekjaar 2023 zichtbaar in het resultaat op sterfte.
Het sterfterisico is te splitsen in twee soorten, te weten het langlevenrisico en het overlijdensrisico.
Het langlevenrisico doet zich voor bij de verzekeringen waarbij het verrichten van een uitkering afhankelijk is van het in leven blijven van de verzekerde, zoals ouderdomspensioenverzekeringen.
Het overlijdensrisico doet zich voor bij de verzekeringen waarbij het verrichten van een uitkering bepaald wordt door het overlijden van de verzekerden, zoals de nabestaandenpensioen-verzekeringen.
Alhoewel landelijk het aantal overlijdensgevallen in 2023 (beperkt) lager was dan in 2022, was ook in 2023 wederom sprake van oversterfte (meer werkelijke sterfte dan was verwacht). De door het CBS gemeten oversterfte in 2023 bedraagt 8% (2022: 9%). Ook bij Pensioenfonds Vervoer is in 2023 opnieuw sprake van oversterfte. Het resultaat op langleven is echter wel veel kleiner dan in de drie voorgaande jaren. Dat komt mede doordat ook de verwachte sterfte in 2023 op basis van de per 31 december 2022 aangepaste overlevingsgrondslagen hoger is dan in 2022. Mede op basis van de vier achtereenvolgende jaren van oversterfte heeft het CBS haar prognoses naar beneden bijgesteld.
In september 2024 wordt een nieuwe publicatie van de prognosetafel van het AG verwacht, waarna conform fondsbeleid ook de ervaringssterfte zal worden onderzocht.
Actuariële analyse van het resultaat
In onderstaand overzicht wordt het saldo van de baten en lasten uitgesplitst naar diverse bronnen. Het betreft een actuariële analyse waarbij de genoemde individuele resultaatcomponenten niet noodzakelijkerwijs één op één gematcht kunnen worden met uitsplitsingen in de Jaarrekening, die vanuit een andere invalshoek zijn weergegeven. Het totaalresultaat is uiteraard wel identiek.
Saldo van baten en lasten (bedragen x 1.000.000)
| 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|
| Grondslagen resultaatbepaling: | |||
| Overlevingstafel primo boekjaar | AG 2022 | AG 2020 | |
| Gemiddelde rente primo boekjaar | 2,5% | 0,6% | |
| Premies en koopsommen | 301 | -236 | |
| Beleggingsresultaat (inclusief wijziging RTS) | 1.337 | 927 | |
| Toeslagverlening | -2.101 | -1.930 | |
| Sterfte | 34 | 48 | |
| Arbeidsongeschiktheid | 36 | -3 | |
| ANW-hiaat en wezenpensioen | 0 | 0 | |
| Kosten | 6 | 8 | |
| Mutaties / diversen | -23 | -33 | |
| Wijziging door bijzondere oorzaken | 13 | -84 | |
| Toekenningen VPL | -1 | -2 | |
| Totaalresultaat | -398 | -1.305 |
Het resultaat van het pensioenfonds toont in 2023 een negatief saldo van € 398 (2022: € 1.305 negatief).
Toelichting op enkele resultaatposten
Beleggingsresultaat
Het resultaat op beleggingen, inclusief wijziging rentetermijnstructuur (RTS), is veelal een significante en beweeglijke post in de bepaling van het jaarresultaat. In 2023 bedraagt dit beleggingsresultaat € 1.337 (2022: € 927). Het werkelijk behaalde rendement bedroeg in 2023 10,1%. Door de gedaalde rente steeg de waarde van de vastrentende waarden en rentederivaten. Zakelijke waarden zijn in 2023 eveneens in waarde gestegen.
De onder deze post begrepen toevoeging aan de technische voorzieningen (TV) heeft betrekking op de wijziging van de RTS, van 31 december 2022 naar 31 december 2023. Dit betreft het saldo van een negatief effect van € 0,9 in verband met de gedaalde rente en een positief effect van € 0,1 vanwege de verwerking van de per 1 januari 2023 gewijzigde UFR-methodiek. Deze is conform de aanwijzingen van DNB per 31 december 2023 verwerkt in het jaarresultaat. In de jaarrekening van 2022 is deze UFR-wijziging als gebeurtenis na balansdatum opgenomen. Naar de situatie van dat moment betrof het een verhoging.
Resultaat op toeslagverlening
Het meest significante resultaat was de toeslagverlening. Dat leidde in 2023 tot een verlies van € 2.101 (2022: € 1.930 negatief) omdat de voorwaardelijke toeslagen uit de fondsmiddelen zijn gefinancierd. Verderop in dit hoofdstuk wordt meer aandacht besteed aan de toeslagverlening.
Resultaat op mutaties/diversen
De post mutaties/diversen bestaat uit vele componenten, zoals resultaten voortvloeiend uit:
- uitkeringen
- afkopen
- waardeoverdrachten
- mutaties niet opgevraagde pensioenen
- mutaties voortvloeiend uit pensionerings- en flexibiliseringsmutaties, individuele pensioenclaims, echtscheidingen, (eenmalige) projecten en correcties
- boekingen en correcties op ambtshalve premies waar geen pensioenopbouw tegenover staat
- bankkosten, de betaalde intrest en de mutatie van het saldo van de schuld inzake de gemoedsbezwaarden.
Resultaat uit wijzigingen door bijzondere oorzaken
In 2023 is opnieuw de toereikendheid van de risicopremies bij arbeidsongeschiktheid onderzocht. De risicopremie voor aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen is met ingang van 1 januari 2024 verlaagd van 1,0% naar 0,8%. Het bestuur heeft besloten deze verlaging met terugwerkende kracht toe te passen op de in de IBNR gereserveerde risicopremies uit 2022 en 2023. Dit heeft geleid tot een verlaging van de IBNR, waardoor een resultaat is geboekt van € 13.
De post ‘wijziging door bijzondere oorzaken’ was in 2022 groter dan gebruikelijk, namelijk minus € 84. Dat resultaat was toen vooral het gevolg van enkele grondslagwijzigingen.
Kostendekkende premie
Met ingang van 1 januari 2023 is, zoals al eerder in dit hoofdstuk vermeld, het premiebeleid van Pensioenfonds Vervoer gewijzigd. Tegelijk zijn aanpassingen doorgevoerd aan de kostendekkende premie. De gedempte kostendekkende premie wordt niet langer vastgesteld op basis van een 120-maandsgemiddelde rente, maar op basis van het toekomstige verwacht rendement (inclusief een afslag voor toekomstige toeslagverlening). Tezamen met deze wijzigingen heeft het bestuur besloten het premie-egalisatiedepot per 31 december 2022 te beëindigen.
| Toetsing kostendekkende premie (x € 1 mln.) | Ex-ante kostendekkende premie (“toetspremie”) | Zuivere kostendekkende premie | ||
|---|---|---|---|---|
| 2023 | 2022 | 2023 | 2022 | |
| Overlevingstafel primo boekjaar | Prognose-tafel AG 2022 | Prognose-tafel AG 2020 | Prognose-tafel AG 2022 | Prognose-tafel AG 2020 |
| Gemiddelde rente primo boekjaar | 2,50% | 0,60% | 2,50% | 0,60% |
| Rente | Verwacht rendement 30-09-2022 | 120-maands gemiddelde RTS t/m 30-09-2021 | RTS | RTS |
| 12-31-2022 | 12-31-2021 | |||
| Bedrag kostendekkende premie | 1.144 | 1.254 | 1.273 | 1.832 |
| Ex-ante verschuldigde premie (x € 1 mln.) | 1.332 | 1.217 | ||
| Ex-post verschuldigde premie (x € 1 mln.) | 1.390 | 1.295 |
De ex-ante verschuldigde premie (1.332) wordt getoetst op kostendekkendheid door een vergelijking met de ex-ante kostendekkende toetspremie (1.144). Als toetsingsmoment wordt uitgegaan van 30 september voorafgaand aan het boekjaar. De kostendekkende toetspremie is naar de omstandigheden op dat moment dan ook maatgevend voor de toetsing in het boekjaar.
De kostendekkende toetspremie op basis van het FTK is in 2023, net als in 2022, voldaan. De verschuldigde premie is in 2023 hoger, dus kostendekkend. In 2022 is nog gebruik gemaakt van middelen die toen nog beschikbaar waren in het premie-egalisatiedepot. Zoals genoemd bestaat dit premie-egalisatiedepot in 2023 niet meer.
Toeslagverlening
Voorwaardelijke toeslagverlening
Per 1 juli 2022 is het “Besluit tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader in verband met toeslag vanwege voorgenomen transitie” in werking getreden. Voor toeslagbesluiten die in 2022 werden genomen golden versoepelde voorwaarden. In 2023 is deze maatregel verlengd door middel van een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). De belangrijkste randvoorwaarde om gebruik te kunnen maken van deze regeling is de intentie tot invaren naar het nieuwe pensioenstelsel. Daarnaast dient de actuele dekkingsgraad op het toeslagmoment ten minste 105% te bedragen.
Het bestuur heeft in 2023 besloten gebruik te maken van de verruimde mogelijkheid tot toeslagverlening en heeft per 1 januari 2024 de volledig maatstaf per die datum (7,55%) toegekend over de opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten.
De maatstaf voor deze verhoging is de loonontwikkeling in de periode 2 juli 2022 – 1 juli 2023 (gewogen per sector). De toeslagmaatstaf is bepaald op basis van de naar aantal deelnemers gewogen gemiddelde loonontwikkeling.
De bestuursbesluiten tot voorwaardelijke toeslagverlening zijn genomen nadat in een zorgvuldig traject alle belangen evenwichtig zijn gewogen. Van jong en oud en van gewezen deelnemers tot pensioengerechtigden. Ook is bekeken of bij het eventueel invaren in een nieuwe pensioenregeling in het nieuwe pensioenstelsel er nog geld genoeg is om een reserve aan te leggen om grote schommelingen in het verwachte pensioen op te vangen en/of om bepaalde groepen te kunnen compenseren als dat nodig is. Een verhoging leek en lijkt – gezien de financiële gezondheid van het fonds - eventuele maatregelen in de toekomst niet in de weg te staan.
Er is geen recht op toekomstige toeslagen4. Het is niet zeker of en in hoeverre in de toekomst toeslagverlening wordt gegeven. Het pensioenfonds heeft geen geld gereserveerd voor toekomstige toeslagen; de premiestelling is gebaseerd op de ambitie om een nominaal pensioen te kunnen verstrekken. Toeslagen zijn afhankelijk van de middelen van het pensioenfonds, die voor een belangrijk deel worden beïnvloed door de jaarlijkse beleggingsresultaten.
4 Behoudens onvoorwaardelijke toeslagen op de tot 1 januari 2010 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten in de excedentregeling.
Onvoorwaardelijke toeslagverlening excedentregeling
Onvoorwaardelijke toeslagen worden verleend op de pensioenaanspraken en -rechten die zijn opgebouwd in de excedentpensioenregelingen vóór 1 januari 2010.
De verleende toeslag per 1 januari 2024 bedraagt 3,26%.
Onvoorwaardelijke toeslagverlening TNT Express
Per 30 november 2021 zijn alle tot die datum opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten bij Pensioenfonds TNT Express collectief overgedragen naar Pensioenfonds Vervoer. Bij Pensioenfonds TNT Express waren, op het moment van de collectie waardeoverdracht naar PF Vervoer, meer middelen beschikbaar dan benodigd voor de inkoop van de nominale aanspraken. Uit dit surplus is bij Pensioenfonds Vervoer een onvoorwaardelijke indexatie ingekocht die, na verrekening van de solvabiliteitsopslag, definitief is vastgesteld op 10,41% per 30 november 2021. Hiervoor was een voorziening voor toekomstige indexatie voor TNT Express gevormd.
Aangezien per 1 juli 2022 en 1 januari 2023 door Pensioenfonds Vervoer een voorwaardelijke toeslag is toegekend die hoger is dan de maatstaf voor de onvoorwaardelijke toeslagverlening (3%) waren ultimo 2022 nog geen middelen uit deze voorziening aangewend voor toeslagen voor de betreffende TNT Express populatie.
In 2023 is overeenstemming met de Belastingdienst bereikt en zijn de fiscale beperkingen ingetrokken. Daarop heeft Pensioenfonds Vervoer besloten de op de lat staande geactualiseerde onvoorwaardelijke toeslag (10,61%) volledig toe te kennen per 1 juli 2023. De toeslagvoorziening is per die datum geheel vrijgevallen.
Haalbaarheidstoets en risicohouding
De haalbaarheidstoets geeft inzicht in de samenhang tussen de financiële opzet, het verwachte pensioenresultaat en de risico's die daarbij gelden. Minimaal eenmaal per jaar moet deze toets worden uitgevoerd, voor het eerst in 2015. Dat was toen de ‘aanvangshaalbaarheidstoets’. Primair is de haalbaarheidstoets een beleidstool voor het bestuur van het pensioenfonds en de sociale partners om inzicht te krijgen of de pensioentoezegging kan worden waargemaakt. Op basis van de uitkomsten kunnen het bestuur en de sociale partners bepaalde beleidsbeslissingen nemen en onderbouwen. Er worden in de haalbaarheidstoets diverse toekomstscenario’s doorgerekend over een periode van 60 jaar. De uitkomst hiervan wordt het pensioenresultaat genoemd. Gegeven de lange prognoseperiode van 60 jaar zijn de uitkomsten van het uit de haalbaarheidstoets voortkomende pensioenresultaat slechts in geringe mate maatgevend voor de korte termijn.
Bij de in 2015 door het bestuur, in overleg met Cao-partijen en het verantwoordingsorgaan, opgestelde risicohouding heeft een evenwichtige belangenafweging centraal gestaan. De risicohouding komt in termen van het risicoprofiel van de beleggingen overeen met de huidige strategische norm.
De risicohouding van het pensioenfonds, zoals vastgelegd in het besluit financieel toetsingskader van december 2014, bestaat uit drie onderdelen:
- Kwalitatieve beschrijving van de risicohouding;
- Kwantitatieve beschrijving van de korte termijn risicohouding;
- Kwantitatieve beschrijving van de lange termijn risicohouding.
De risicohouding van het pensioenfonds voldoet aan de ‘prudent person-regel’. Voor de korte termijn komt de risicohouding tot uitdrukking in de hoogte van (een bandbreedte voor) het vereist eigen vermogen. Voor de lange termijn komt de risicohouding tot uitdrukking in de door het pensioenfonds gekozen ondergrenzen in het kader van de haalbaarheidstoets.
De haalbaarheidstoets is een stochastische toets die inzicht geeft in de samenhang tussen de financiële opzet, het verwachte pensioenresultaat en de risico’s die daarbij gelden. De economische scenario’s zijn door DNB voorgeschreven.
Ad 1: Kwalitatieve beschrijving van de risicohouding
De premie is minimaal en maximaal gelijk aan 30% van de pensioengrondslag.
- De premie dient (inclusief financiering van de VPL-verplichting sector Vervoer tot en met 31 oktober 2020) kostendekkend te zijn.
- Bij de bepaling van de kostendekkende premie voor de pensioenopbouw werd vóór 2023 rekening gehouden met een 120-maands middeling van de rente. Bij de bepaling van de gedempte kostendekkende premie voor de VPL-regeling werd een rentevoet gehanteerd die gelijk aan het gemiddelde van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuren over de aan het desbetreffende kalenderjaar voorafgaande vijf jaren waarbij de rentetermijnstructuur van 30 september als basis dient.
- Het niet hoeven korten van pensioenen is voorlopig belangrijker dan de toeslagverlening. Dit betekent dat de kans op korting klein moet zijn.
Ad 2: Kwantitatieve beschrijving van de korte termijn risicohouding
De korte termijn risicohouding is vertaald in een strategische beleggingsportefeuille met bandbreedtes. Het risico wordt uitgedrukt in termen van het vereist eigen vermogen bij de strategische portefeuille. Toekomstige wijzigingen van het vereist eigen vermogen veroorzaakt door fluctuaties in de rentestand zijn toegestaan. Het bestuur heeft besloten voor de vereist vermogen-bandbreedte een ondergrens van 85% en een bovengrens van 125% op basis van de strategische portefeuille te hanteren. Toekomstige wijzigingen van het VEV veroorzaakt door fluctuaties in de rentestand zijn toegestaan.
Met dit beleid heeft het bestuur beoordeeld dat deze bandbreedte acceptabel is uit hoofde van balansrisicomanagement.
Ad 3: Kwantitatieve beschrijving van de lange termijn risicohouding
Om invulling te geven aan het bepaalde in artikel 22 van het Besluit Financieel Toetsingskader kiest het pensioenfonds de volgende grenzen in het kader van de uitvoering van de aanvangshaalbaarheidstoets:
- De ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat vanuit de situatie dat het pensioenfonds precies beschikt over het vereist eigen vermogen is gelijk aan 85%.
- De ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat vanuit de feitelijke dekkingsgraad van het pensioenfonds bij het van toepassing worden van het nieuwe financiële toetsingskader is gelijk aan 85%.
- Bij de jaarlijkse haalbaarheidstoets berekent het pensioenfonds vanuit de feitelijke dekkingsgraad zowel het verwachte pensioenresultaat als het pensioenresultaat in een slechtweerscenario. De maximale relatieve afwijking tussen het verwachte pensioenresultaat en het pensioenresultaat in het slecht weer scenario die het pensioenfonds dan acceptabel vindt is 33%. Dit betekent dat het pensioenresultaat in slechts 5% van de scenario’s meer dan 33% lager mag zijn dan het verwachte pensioenresultaat vanuit de feitelijke dekkingsgraad.
Resultaten van de haalbaarheidstoets
De haalbaarheidstoets geeft inzicht in de samenhang tussen de financiële opzet, het verwachte pensioenresultaat en de risico’s die daarbij gelden. Gegeven de lange prognoseperiode (60 jaar) zijn de uitkomsten van het bepaalde pensioenresultaat slechts in geringe mate maatgevend voor de korte termijn.
Het pensioenresultaat geeft aan in welke mate de pensioentoezegging kan worden verleend, rekening houdend met volledige prijsinflatie. De pensioenresultaten van 2023 vallen binnen de in 2015 vastgestelde grenzen. Indien in enig jaar de resultaten onder de grenzen zouden vallen, beziet het bestuur in overleg met cao-partijen of en zo ja welke maatregelen getroffen moeten worden.
In verband met de wijziging van het premiebeleid met ingang van 1 januari 2023 is in 2022 een nieuwe aanvangshaalbaarheidstoets uitgevoerd met peildatum 30 september 2022. De uitkomsten van deze toets per 30 september 2022 voldoen aan de in 2015 gestelde grenzen. Hetzelfde geldt voor de per 1 januari 2023 deels opnieuw uitgevoerde haalbaarheidstoets.
| Haalbaarheidstoets | |||||
| Uitgangspositie | Te kiezen ondergrens | Lange termijn risicohouding BELEID | Resultaten aanvangs-haalbaarheids-toets per 30 sept. 2022 | Resultaten haalbaar-heidstoets per 1 januari 2023 | |
| Waarbij aan VEV wordt voldaan | Ondergrens bij verwacht pensioen-resultaat op fonds-niveau | 85% | 100% | n.v.t. | |
| Feitelijke financiële positie | Ondergrens bij verwacht pensioen-resultaat op fonds-niveau | 85% | 98% | 98% | |
| Maximale afwijking van pensioen-resultaat op fonds-niveau in slecht-weerscenario | 33% | 33% | 33% |
Pensioenfonds Vervoer voldoet hiermee aan de normering van de pensioenresultaten die in 2015 door het bestuur zijn vastgesteld op basis van de aanvangshaalbaarheidstoets.
De resultaten op 1 januari 2024 zijn nog niet bekend; de nieuwe haalbaarheidstoets zal pas eind juni 2024 bij DNB worden ingediend.